ECLI:NL:CRVB:2009:BH3844
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- A.B.J. van der Ham
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering IOAZ-uitkering wegens onvoldoende arbeidsverleden en geen arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft op 25 oktober 2005 een uitkering aangevraagd op grond van de IOAZ. Het College van burgemeester en wethouders van Arnhem wees de aanvraag af omdat appellant niet als gewezen zelfstandige kon worden aangemerkt. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beslissing ongegrond.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij in de periode van 10 september 1996 tot 26 oktober 1997 arbeidsongeschikt was door depressieve klachten, waardoor deze periode meegeteld moest worden bij het bepalen van zijn arbeidsverleden. Hij verzocht om benoeming van een deskundige om dit te onderzoeken.
De Raad oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij in die periode arbeidsongeschikt was. Hij ontving toen een WW-uitkering en was beschikbaar voor arbeid, had zich niet ziek gemeld en had geen medische hulp gezocht. Het rapport van een psychiater toonde geen bewijs van arbeidsongeschiktheid in die periode. Daarom werd het verzoek tot benoeming van een deskundige afgewezen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank dat het College terecht de IOAZ-uitkering had geweigerd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de IOAZ-uitkering wegens onvoldoende arbeidsverleden en geen aannemelijke arbeidsongeschiktheid.