Eisers ontvingen een bijstandsuitkering en verbleven van 7 augustus tot 28 september 2023 in het buitenland. Het college trok de bijstand in en vorderde een bedrag van €1.265,85 terug omdat eisers langer dan de toegestane 28 dagen buiten Nederland waren. Eisers voerden zeer dringende redenen aan wegens medische noodsituaties en psychische overmacht.
De rechtbank oordeelde dat eisers voldoende procesbelang hadden ondanks de toekenning van een IVA-uitkering met terugwerkende kracht, omdat het bedrag van de bijstand hoger was en nog terugbetaald moest worden. De rechtbank stelde vast dat de wet dwingend voorschrijft dat bijstand wordt ingetrokken bij verblijf langer dan vier weken in het buitenland, tenzij zeer dringende redenen aanwezig zijn.
De rechtbank concludeerde dat eisers geen acute noodsituatie hadden aangetoond die het verlenen van bijstand onvermijdelijk maakte. Het verblijf bij familie en de mogelijkheid om geld te lenen voor noodzakelijke kosten, evenals het feit dat de terugvordering pas bij invordering financiële gevolgen heeft, maakten het beroep ongegrond.
Het beroep werd daarom afgewezen, het griffierecht werd niet teruggegeven en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.