Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
- [eiseres] met mr. J. Pearson namens de gemachtigde;
- mevrouw [persoon A] , medewerker huurincasso, en mevrouw [persoon B] , medewerker huurincasso, namens Havensteder, met de gemachtigde.
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een executiegeschil over de ontruiming van een woning in Rotterdam, gehuurd door eiseres sinds 1 juli 2026. Bij vonnis van 7 februari 2025 is de huurovereenkomst ontbonden en is ontruiming bevolen. Eiseres is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan en vordert in kort geding een verbod op de ontruiming totdat het hoger beroep is afgerond.
De kantonrechter overweegt dat de belangen van eiseres en haar minderjarige kinderen, een zoon van 15 en een dochter van 14 met een leerachterstand, zwaar wegen. Deze belangen zijn niet meegewogen in het eerdere vonnis, terwijl het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) vereist dat de rechter deze belangen betrekt.
De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het belang van eiseres bij behoud van haar woning en het voorkomen van huisuitzetting zwaarder weegt dan het belang van Stichting Havensteder bij ontruiming. Ook is een deel van de huurachterstand inmiddels ingelopen en is er geen sprake van betalingsonwil. De kantonrechter verbiedt daarom de ontruiming tot het hoger beroep is beslist, wijst de gevorderde dwangsom af en veroordeelt Havensteder in de proceskosten.
Uitkomst: De ontruiming van de woning wordt verboden totdat het hoger beroep is beslist vanwege de belangen van minderjarige kinderen.