Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- het tussenvonnis van 17 januari 2025 en de stukken die daarin genoemd zijn;
- de akte van werkgever van 19 februari 2025, met bijlagen;
- de akte van werknemer van 19 maart 2025, met een bijlage.
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak vordert een werknemer schadevergoeding van zijn werkgever wegens lichamelijke en geestelijke klachten die hij stelt te hebben opgelopen tijdens zijn werkzaamheden. De werkgever betwist de vordering op grond van verjaring. De kantonrechter stelt vast dat de werknemer op 31 juli 2018 bekend was met zijn schade en de aansprakelijke partij, waardoor de vordering uiterlijk op 31 juli 2023 verjaard zou zijn.
De werknemer beroept zich op stuiting van de verjaring door een brief van 19 december 2018 en twee e-mails uit september 2020. De kantonrechter oordeelt dat alleen de brief van 19 december 2018 mogelijk de verjaring heeft gestuit, maar dat daarna geen geldige stuitingshandeling is verricht binnen de vereiste termijn. De e-mails uit 2020 zijn onvoldoende omdat ze niet gericht waren aan de juiste contactpersonen en mogelijk niet authentiek zijn.
De kantonrechter concludeert dat de vordering verjaard is en wijst deze af. Daarnaast wordt de werknemer veroordeeld in de proceskosten van de werkgever, die € 982,50 bedragen. De rechter geeft aan dat het de advocaat van de werknemer sieren zou om deze kosten voor zijn rekening te nemen, omdat hij nalatig was in het tijdig stuiten van de verjaring. De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De vordering van de werknemer wordt afgewezen wegens verjaring en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.