ECLI:NL:RBROT:2025:3867
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Verzoekster, sinds 2016 bijstandontvanger, diende een nieuwe aanvraag in nadat haar uitkering in september 2024 werd beëindigd wegens het niet overleggen van bankgegevens. Verweerder stelde op basis van anonieme meldingen en een rechtmatigheidsonderzoek vast dat verzoekster een gezamenlijke huishouding voert met de eigenaar van haar kamer, [persoon A], met wie zij sinds mei 2024 samenwoont in een vakantiewoning.
Tijdens het intakegesprek gaf verzoekster aan volledig door [persoon A] onderhouden te worden en samen met hem boodschappen te doen en te eten. De voorzieningenrechter concludeerde dat sprake is van wederzijdse zorg en financiële verstrengeling, waardoor verzoekster geen recht heeft op bijstand als alleenstaande.
Verzoekster voerde aan dat zij een schuld bij [persoon A] heeft opgebouwd en dat hij haar niet langer kan onderhouden, maar kon dit niet met stukken onderbouwen. De voorzieningenrechter vond geen spoedeisend belang en oordeelde dat het bezwaar waarschijnlijk geen kans van slagen heeft.
De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen, waarbij werd benadrukt dat het oordeel een voorlopig karakter heeft en niet bindend is voor een eventueel bodemgeding.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening bij afwijzing bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding wordt afgewezen.