Eiseres heeft bij de Dienst Toeslagen een aanvraag ingediend voor compensatie van kinderopvangtoeslag over de jaren 2005 tot en met 2013 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De Dienst Toeslagen heeft deze aanvraag afgewezen omdat zij concludeerde dat eiseres geen gedupeerde is van de toeslagenaffaire. De rechtbank heeft dit besluit getoetst en geoordeeld dat de Dienst Toeslagen dit op goede gronden heeft gedaan.
De rechtbank overwoog dat de vermeende terugvordering van € 10.000,- niet kon worden onderbouwd met concrete gegevens. De enige vastgestelde terugvordering betrof € 1.615,- in 2008, voortkomend uit door eiseres zelf doorgegeven wijzigingen. Er was geen sprake van institutionele vooringenomenheid of onredelijke hardheid van het systeem die compensatie zou rechtvaardigen. De langdurige duur van de procedure en vermeende onzorgvuldigheden leiden niet tot erkenning als gedupeerde.
Daarnaast heeft eiseres een verzoek ingediend tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn met 16 maanden was overschreden en veroordeelde de Dienst Toeslagen tot betaling van € 1.500,- schadevergoeding. Tevens werd een proceskostenvergoeding van € 226,75 toegekend.
Het beroep tegen het afwijzende besluit op compensatie is ongegrond verklaard, waarmee het besluit in stand blijft. De uitspraak is gedaan door rechter N. Boonstra op 11 maart 2025.