ECLI:NL:RBROT:2025:15197

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
C/10/710656 / KG ZA 25-1175
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil over de vraag of een notariële akte een executoriale titel oplevert

In deze zaak, die werd behandeld door de Rechtbank Rotterdam, is op 31 december 2025 een vonnis in kort geding gewezen. De eisende partijen, [eiser 1] en [eiser 2], hebben een vordering ingesteld tegen [gedaagde] met betrekking tot een executiegeschil. De voorzieningenrechter had eerder op 16 december 2025 een tussenvonnis gewezen, waarin werd overwogen dat [eiser 2] niet-ontvankelijk was in zijn vorderingen. De zaak werd heropend naar aanleiding van een beschikking van de Hoge Raad van 28 november 2025, die de vraag opriep of de notariële akte in dit geval een executoriale titel oplevert.

De vorderingen van [eiser 1] omvatten onder andere de opheffing van executoriale beslagen en de schorsing van de executie. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat de vorderingen van [eiser 1] moeten worden afgewezen. De voorzieningenrechter concludeerde dat de notariële akte geen executoriale titel oplevert, omdat de vordering onvoldoende bepaald was. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de vorderingen van [gedaagde] met voldoende bepaaldheid in de akte zijn omschreven, en dat de contractuele boete die aan [eiser 1] was opgelegd, niet afhankelijk was van onzekere, toekomstige gebeurtenissen.

Het vonnis eindigt met de veroordeling van [eisers] in de proceskosten, omdat zij in het ongelijk zijn gesteld. De proceskosten zijn begroot op € 2.659,00, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving. Dit vonnis is uitgesproken door mr. P. de Bruin en is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/710656 / KG ZA 25-1175
Vonnis in kort geding van 31 december 2025
in de zaak van

1.[eiser 1],

wonend in Mijdrecht,
2.
[eiser 2],
wonend in Schilde (België),
eisende partijen,
advocaat: mr. S. Aartsen te Utrecht,
tegen
[gedaagde],
wonend in Capelle aan den IJssel,
gedaagde partij,
advocaten: mr. S.N.J. Putter en mr. F.W.J. Beunke te Den Haag.
Partijen worden hierna afzonderlijk [eiser 1], [eiser 2] en [gedaagde] genoemd.
[eiser 1] en [eiser 2] worden gezamenlijk aangeduid als [eisers]

1.Het (verdere) verloop van de procedure

1.1.
De voorzieningenrechter heeft op 16 december 2025 tussenvonnis (hierna: het Tussenvonnis) gewezen. In het Tussenvonnis is allereerst overwogen dat [eiser 2] niet-ontvankelijk is bij de ingestelde vorderingen. Verder heeft de voorzieningenrechter de zaak heropend in verband met de beschikking van de Hoge Raad van 28 november 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1807). Deze beschikking doet de vraag rijzen of in dit geval wel of niet sprake is van een executoriale titel. Partijen zijn daarop in de gelegenheid gesteld om zich bij akte uit te laten over die vraag en over de gevolgen daarvan op hun vorderingen en verweer.
1.2.
Op 19 december 2025 hebben [eiser 1] en [gedaagde] een akte na tussenvonnis ingediend. [eiser 1] heeft bij die akte de eis aangevuld. [gedaagde] is daarna in de gelegenheid gesteld om te reageren op nieuwe punten in de akte van [eiser 1], waaronder de eiswijziging.

2.De gewijzigde eis

2.1.
De vorderingen van [eiser 1] zijn omschreven in overweging 3.1. van het Tussenvonnis. In de kern komen deze neer op opheffing van de executoriale beslagen die ten laste van [eiser 1] zijn gelegd op basis van de notariële akte van 5 mei 2023 (hierna: de Akte), schorsing van de aangevangen executie en betaling van een voorschot op schadevergoeding.
2.2.
Op 19 december 2025 heeft [eiser 1] de eis vermeerderd. De aanvulling houdt kort gezegd in dat [gedaagde] (1) de executie staakt, (2) een ondubbelzinnige verklaring stuurt aan [naam 1] en [naam 2] om de overgenomen executie te staken en (3) alle reeds gelegde executiemaatregelen ongedaan maakt.

3.De verdere beoordeling

[eiser 2] is niet-ontvankelijk
3.1.
Zoals al overwogen in 4.1. en 4.2. van het Tussenvonnis verklaart de voorzieningenrechter [eiser 2] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen.
De (gewijzigde) vorderingen van [eiser 1] worden afgewezen
3.2.
[gedaagde] heeft ten laste van (bankrekeningen van) [eiser 1] tweemaal – in september 2023 en in september 2024 – executoriaal beslag gelegd onder ABN AMRO en eenmaal op de woning van [eiser 1]. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat de vorderingen van [eiser 1] moeten worden afgewezen en licht dat hierna toe.
De beslagen onder ABN AMRO
3.3.
[gedaagde] heeft de twee derdenverklaringen van ABN AMRO overgelegd, waaruit blijkt dat de beslagen geen doel hebben getroffen. ABN AMRO heeft beide keren verklaard dat de rekeningen van [eiser 1] een debetpositie hadden en dat zij om die reden het beslag als afgehandeld beschouwde. Er is dan ook geen sprake (meer) van een beslag waarvan opheffing, of ongedaanmaking zoals aanvullend gevorderd, mogelijk is. Alleen al om die reden worden de vorderingen van [eiser 1] met betrekking tot de bankbeslagen afgewezen.
Schorsing of staking van executie met betrekking tot de woning
3.4.
De vordering om de aangevangen executie van het beslag op de woning te schorsen dan wel dat [gedaagde] de executie staakt, is niet toewijsbaar, reeds omdat [gedaagde] niet degene is die de verkoop van de woning heeft aangezegd. Uit de brieven van 14 september 2023 en 23 juli 2025 van [naam 1] blijkt dat hypotheekhouder [naam 2] op de voet van artikel 509 lid 1 Rv gebruik heeft gemaakt van haar recht om de verkoop van de woning over te nemen van [gedaagde]. Om schorsing van de executie te bewerkstelligen, moet [eiser 1] zich dus wenden tot de hypotheekhouder, die in deze zaak echter geen partij is.
3.5.
[eiser 1] heeft aanvullend gevorderd om [gedaagde] te veroordelen om een ondubbelzinnige verklaring te sturen aan [naam 1] en [naam 2] met het verzoek om de (door hen overgenomen) executie te doen staken en gestaakt te houden. De vordering moet, vanwege de onlosmakelijke samenhang daarmee – als er geen grondslag voor het beslag is, is er ook geen grondslag voor executie die immers alleen zijn grondslag kent in het beslag – het lot delen van de vordering die strekt tot opheffing van het beslag op de woning. Die vordering wordt hierna beoordeeld.
Opheffing van het beslag op de woning en de verklaring aan [naam 1] en [naam 2]
3.6.
Uit artikel 8 van de Akte volgt dat [eisers] (hoofdelijk) een boete van € 58.702,56 aan [gedaagde] verschuldigd zijn, indien blijkt dat één of meer van de in artikel 7 vermelde verklaringen niet accuraat, onjuist of onvolledig is/zijn. Het executoriaal beslag dat [gedaagde] heeft laten leggen op de woning van [eiser 1] is gebaseerd op het standpunt dat [eiser 1] de gegeven garanties over de juistheid van die verklaringen heeft geschonden en daarmee het boetebedrag heeft verbeurd.
3.7.
Allereerst rijst de vraag of de Akte een executoriale titel oplevert. Als uitgangspunt geldt dat aan de grosse van een authentieke akte slechts dan executoriale kracht toekomt als de vordering met voldoende bepaaldheid in het stuk is omschreven. Het moet dus gaan om vorderingen die op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaan en in de akte zijn omschreven, of op toekomstige vorderingen die hun onmiddellijke grondslag vinden in een op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaande en in de akte omschreven rechtsverhouding (HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4889, r.o. 3.7).
3.8.
In de zaak die leidde tot de beschikking van de Hoge Raad van 28 november 2025 (hierna: de Beschikking) ging het om een proces-verbaal van een zitting waarin partijen een schikking hadden getroffen, waarin onder meer een geheimhoudingsverplichting onder oplegging van een boete was overeengekomen. De Hoge Raad oordeelde dat het proces-verbaal geen executoriale titel opleverde, omdat het ontstaan van de vordering (de contractuele boete) afhankelijk werd gesteld van onzekere, toekomstige gebeurtenissen (overtreding van het geheimhoudingsbeding).
3.9.
In het licht van de Beschikking heeft de voorzieningenrechter in overweging 4.3. van het Tussenvonnis de vraag gesteld of de vordering van [gedaagde] met voldoende bepaaldheid in de Akte is omschreven en, in het bijzonder, of het ontstaan van de vordering al dan niet afhankelijk is gesteld van onzekere, toekomstige gebeurtenissen ten tijde van het verlijden van de Akte. Partijen hebben zich daarover kunnen uitlaten.
3.10.
[eiser 1] stelt dat de Akte geen executoriale titel oplevert. Hij heeft gegarandeerd dat de verklaringen als opgesomd in artikel 7 van de Akte juist en volledig zijn, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk blijkt uit de door [eiser 1] (en [eiser 2]) uiterlijk op 15 mei 2023 aan [gedaagde] te verstrekken schriftelijke verklaringen. De boete kon dus pas worden verbeurd na die datum. Nu de Akte op 5 mei 2023 is verleden, is er sprake van een onzekere, toekomstige gebeurtenis en is de vordering onvoldoende bepaald in de Akte, aldus [eiser 1].
3.11.
[gedaagde] meent dat de Akte wel een executoriale titel oplevert. Met de in artikel 7 opgenomen garanties stond [eiser 1] ervoor in dat de in de Akte vermelde verklaringen juist en volledig waren per 5 mei 2023. Dat [eiser 1] tot en met 15 mei 2023 de tijd had om een eventuele schending van artikel 7 van de Akte te zuiveren, doet daar niet aan af, aldus [gedaagde].
3.12.
De voorzieningenrechter is het met [gedaagde] eens dat zijn vordering op [eiser 1] (de contractuele boete) niet afhankelijk is gesteld van een onzekere, toekomstige gebeurtenis. Anders dan bij de zaak van de Hoge Raad waarin het bij het aangaan van de schikking onzeker was of het geheimhoudingsbeding zou worden geschonden, is de contractuele boete in dit geval verbonden aan de inhoud van de afgegeven verklaringen ten tijde van het passeren van de Akte. Daarmee is sprake van een toekomstige vordering die zijn onmiddellijke grondslag vindt in een op het tijdstip van het verlijden van de akte reeds bestaande en in de akte omschreven rechtsverhouding. Verder is de grootte van het bij schending van de garanties verschuldigde bedrag duidelijk vermeld in de Akte.
3.13.
Daar komt bij dat voldoende aannemelijk is dat de in artikel 7 van de Akte vermelde verklaringen op meerdere fronten onjuist of onvolledig zijn.
3.14.
[gedaagde] wijst erop dat, ten tijde van de overnamedatum, in het grootboekoverzicht van het resultaat van [naam 3] over 2022 een post ‘NTF Omzet’ (NTF = nog te factureren) was opgenomen van € 313.257,28 als zijnde een vordering op [bedrijf 1]. Omdat er geen grondslag was voor het opnemen van die post – er bleken geen werkzaamheden te zijn verricht – en in de boekhouding van [bedrijf 1] ook geen post ‘nog te betalen facturen’ voor datzelfde bedrag was opgenomen, moest dat bedrag worden afgeboekt. Dat had volgens [gedaagde] tot gevolg dat de omzet van [naam 3] over 2022 naar beneden moest worden bijgesteld en dat het voorheen positieve resultaat van € 80.000,00 wijzigde in een negatief resultaat van € 225.000,00.
[eiser 1] betoogt dat er wel degelijk werkzaamheden aan die post ten grondslag lagen, dat de opname van de post een boekhoudkundige achtergrond had en dat de werkwijze was toegestaan. Enige onderbouwing hiervan ontbreekt echter en [eiser 1] heeft geen afdoende verklaring gegeven voor het feit dat tegenover de post van [naam 3] (als vordering op [bedrijf 1]) geen post (als schuld aan [naam 3]) in de boekhouding van (het gelieerde) [bedrijf 1] was opgenomen. [gedaagde] heeft bovendien, als producties 5 en 6, verklaringen overgelegd van een externe boekhouder en een financieel medewerker. Beiden hebben toegelicht waarom de post ‘NTF Omzet’ niet klopte en moest worden afgeboekt. [eiser 1] heeft daar onvoldoende tegenover gesteld. Op grond van de voorliggende stukken is aannemelijk dat het door [eiser 1] aan [gedaagde] verstrekte grootboekoverzicht van [naam 3] geen juist beeld gaf van de omzet van [naam 3] over 2022.
3.15.
Daarnaast stelt [gedaagde] dat de door [eiser 1] voorgestelde omzet van [naam 3] misleidend is vanwege facturen die niet kloppen. Zo heeft de klant [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]) de facturen van [naam 3] van 1 april en 1 mei 2023 niet betaald, omdat zij van mening was dat [naam 3] te veel in rekening had gebracht. Die facturen van in totaal € 22.687,50 zijn daarop gecrediteerd. Ter onderbouwing heeft [gedaagde] als productie 9 een e-mail van [bedrijf 2] van 2 juni 2023 aan [eiser 1] overgelegd. In het mailbericht is te lezen dat [naam 3] altijd achteraf factureerde voor de gemaakte uren, maar dat zij per 1 april 2023 eenzijdig overging tot het sturen van een factuur vooraf aan [bedrijf 2]. [bedrijf 2] maakt in haar mailbericht bezwaar tegen die werkwijze en verzoekt [naam 3] als vanouds achteraf te factureren. Voorts is te lezen dat [bedrijf 2] in april 2023 al eerder contact had met [eiser 1] over de facturering.
Het verweer van [eiser 1] dat hij niet (meer) verantwoordelijk is/was voor [naam 3], gaat niet op. Het gaat hier om onbetaalde facturen die op 1 april en 1 mei 2023 verstuurd zijn. Dat was nog vóór de overname van de aandelen op 5 mei 2023. Bovendien had [bedrijf 2] al in april 2023 tegenover [eiser 1] geklaagd over de facturering. Omdat voorzienbaar was dat die bezwaren van invloed waren op de hoogte van de bij [bedrijf 2] in rekening te brengen bedragen, lag het op de weg van [eiser 1] om dat in de administratie te verwerken en [gedaagde] te informeren over die kwestie. Dat is niet gebeurd.
3.16.
Verder is gebleken dat [naam 3] zich had verbonden aan leaseovereenkomsten voor de lease van een Porsche (in september 2021), een Jeep (in november 2021) en een Mercedes (in mei 2022) ten behoeve van [eisers] Het maandelijkse leasebedrag bedroeg in totaal € 4.100,00, maar die uitgaveverplichting was niet opgenomen in de administratie of grootboekoverzichten van [naam 3]. Ter onderbouwing heeft [gedaagde] verwezen naar de verklaring van een financieel medewerker (productie 6) en de leaseovereenkomsten (productie 13). [eiser 1] heeft dit punt niet of onvoldoende weersproken. Ook hierdoor klopten de door [eiser 1] voorgespiegelde resultaten van [naam 3] niet.
3.17.
[eiser 1] had tot en met 15 mei 2023 de gelegenheid om over die punten nog een toelichting te geven ter aanvulling of aanpassing van de eerdere verklaringen, maar heeft dat niet of onvoldoende gedaan.
3.18.
Aldus is voldoende aannemelijk dat [eiser 1] artikel 7 leden m en n van de Akte heeft geschonden door tegenover [gedaagde] een onjuiste voorstelling van zaken te geven over de omzet en de resultaten van [naam 3] (en daarmee ook die van [bedrijf 1]). Dat betekent dat [eiser 1] het boetebedrag van € 58.702,56 heeft verbeurd aan [gedaagde]. Dat leidt tot de slotsom dat de vordering van [gedaagde] voldoende bepaald is in de Akte, zodat hij op basis van de Akte terecht executiemaatregelen heeft getroffen.
3.19.
Het standpunt van [eiser 1] dat sprake is van een vexatoir beslag, omdat de waarde van de woning buitenproportioneel is ten opzichte van de vordering van [gedaagde], wordt verworpen. De bankbeslagen troffen geen doel en [gedaagde] stelt onweersproken dat de woning het enige verhaalsobject is. [eiser 1] heeft ook geen openheid van zaken gegeven over zijn (inkomens- en) vermogenspositie.
3.20.
Voor een opheffing van het executoriaal beslag op de woning of het ongedaan maken van gelegde executiemaatregelen is daarom geen plaats. Hetzelfde geldt voor de vordering van [eiser 1] dat [gedaagde] een ondubbelzinnige verklaring stuurt aan de hypotheekhouder om de executie te staken.
Voldoening van een voorschot
3.21.
Nu niet gebleken is dat de gelegde beslagen onrechtmatig waren, is er geen grond voor toewijzing van het gevorderde voorschot op schadevergoeding, nog daargelaten dat de daartoe strekkende vordering in zekere zin declaratoir is door het gebruik van de woorden “
schade als gevolg van de onterecht gebleken beslagen”.
Overige vorderingen
3.22.
De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding of aanknopingspunten om enige andere voorziening te treffen in het voordeel van [eiser 1].
3.23.
De vorderingen zijn in kort geding behandeld, zodat een doorverwijzing naar de bodemrechter achterwege kan blijven.
[eisers] moeten de proceskosten betalen
3.24.
[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht € 1.374,00
- salaris advocaat € 1.107,00
- nakosten
€ 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.659,00
3.25.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter:
4.1.
verklaart [eiser 2] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen;
4.2.
wijst de vorderingen van [eiser 1] af;
4.3.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.659,00, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
4.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.
2091 / 2009