ECLI:NL:RBROT:2025:14958

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
11790144 VV EXPL 25-407
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonvordering in kort geding tegen failliete werkgever en bestuurdersaansprakelijkheid

In deze zaak, die voor de Rechtbank Rotterdam is behandeld, vordert eiseres, die een arbeidsovereenkomst had met Masters in Administration, betaling van achterstallig loon en vakantiegeld van haar voormalige werkgevers, waaronder Masters Group en Masters in Finance. Eiseres stelt dat zij ziek is gemeld en dat haar loon over juni en juli 2025 niet is betaald. Na de faillietverklaring van Masters in Administration op 26 augustus 2025, heeft het UWV 70% van het loon aan eiseres uitbetaald. Eiseres vordert in kort geding dat de gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van het resterende loon en vakantiegeld, alsook tot het verstrekken van salarisspecificaties. De kantonrechter oordeelt dat Masters in Administration als formele werkgever van eiseres moet worden aangemerkt, maar dat de andere gedaagden niet als werkgevers kunnen worden beschouwd. De vorderingen van eiseres worden afgewezen, omdat zij onvoldoende bewijs heeft geleverd voor haar claims en omdat de curator al salarisspecificaties heeft verstrekt. De proceskosten worden gecompenseerd, wat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam
zaaknummer: 11790144 VV EXPL 25-407
datum uitspraak: 21 november 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. A.T. Leigh, advocaat te Haarlem,
tegen

1..Masters Group B.V.,

gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.W. Renzen, advocaat te Rotterdam,
2. Masters in Administration B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
die niet is verschenen,
3. Masters in Finance B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.W. Renzen, advocaat te Rotterdam.
Eiseres wordt hierna ‘ [eiseres] ’ genoemd. Gedaagden worden gezamenlijk ‘Masters c.s.’ genoemd en ieder van gedaagden afzonderlijk ‘Masters Group’, ‘Masters in Administration’ en ‘Masters in Finance’.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 13 augustus 2025, met bijlagen;
  • de e-mail van de gemachtigde van [eiseres] van 10 november 2025, met bijlagen;
  • de e-mail van de gemachtigde van Masters Group en Masters in Finance van 10 november 2025, met bijlagen;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [eiseres] ;
  • de spreekaantekeningen van de gemachtigde van Masters Group en Masters in Finance.
1.2.
Op 11 november 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was [eiseres] aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde mr. A.T. Leigh. Namens Masters Group en Masters in Finance was de heer [persoon A] (operationeel directeur van Masters Group) aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde mr. M.W. Renzen.

2.De beoordeling

Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[eiseres] is een schriftelijke arbeidsovereenkomst aangegaan met Masters in Administration, op basis waarvan zij met ingang van 1 november 2023 in de functie van [naam functie] werkzaam was. Het loon van [eiseres] bedroeg laatstelijk € 3.423,14 bruto per maand. Op 26 mei 2025 heeft [eiseres] zich ziekgemeld. [eiseres] stelt dat het vakantiegeld in de maand mei 2025 niet is uitbetaald en dat zij geen loon over de maanden juni en juli 2025 heeft ontvangen. [eiseres] stelt zich op het standpunt dat, naast haar formele werkgever Masters in Administration, ook Masters Group en Masters in Finance kunnen worden aangesproken voor de betaling van de achterstallige bedragen. Volgens [eiseres] heeft Masters Group de rechtspersoonlijkheid van Masters Administration misbruikt door er bewust voor te kiezen Masters Administration, waarin [eiseres] nog de enige werknemer is, niet langer te financieren. Daarnaast stelt [eiseres] dat zij feitelijk vanuit Masters in Finance werd gedetacheerd, zodat Masters in Finance eveneens als haar formele werkgever kan worden aangemerkt. Daarom vordert [eiseres] in deze procedure dat Masters c.s. hoofdelijk worden veroordeeld het achterstallige loon over juni en juli 2025 van € 3.423,14 bruto per maand en het achterstallige vakantiegeld van € 3.062,80 bruto te betalen, vermeerderd met de wettelijke verhoging over deze bedragen. Daarnaast vordert [eiseres] dat Masters c.s. hoofdelijk worden veroordeeld deugdelijke salarisspecificaties te verstrekken, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van Masters c.s. in de reële proceskosten van [eiseres] .
2.2.
Na de betekening van de dagvaarding is Masters Administration per 26 augustus 2025 in staat van faillissement verklaard. De curator heeft de arbeidsovereenkomst van [eiseres] opgezegd op 5 september 2025, zodat haar dienstverband per 17 oktober 2025 is beëindigd (artikel 40 Faillissementswet). Het UWV heeft vervolgens in het kader van de uitvoering van de loongarantieregeling 70% van het loon over de maanden juni en juli 2025 aan [eiseres] uitbetaald. Daarom heeft [eiseres] ter zitting haar vordering verminderd, in die zin dat zij haar vordering ten aanzien van het achterstallige loon over de maanden juni en juli 2025 vermindert tot 30% van dat loon, oftewel € 1.026,94.
2.3.
Masters Group en Masters in Finance zijn het niet eens met de vorderingen van [eiseres] . Zij voeren aan dat [eiseres] op grond van de loongarantieregeling verzekerd is van betaling van het achterstallige loon en vakantiegeld door het UWV en dat de curator inmiddels ook alle salarisspecificaties aan [eiseres] heeft verstrekt. Masters Group betwist daarnaast dat zij misbruik heeft gemaakt van de rechtspersoonlijkheid van Masters in Administration. Daarnaast betwist Masters in Finance dat ook zij als formele werkgever van [eiseres] moet worden beschouwd.
Het beoordelingskader in kort geding
2.4.
Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de vordering in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiseres] heeft bij toewijzing van de vordering worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor Masters c.s. als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Masters in Administration is niet verschenen in het geding
2.5.
Gelijk hiervoor ook al overwogen is Masters in Administration niet in het geding verschenen. Naar het oordeel van de kantonrechter kan tegen haar geen verstek worden verleend, nu vaststaat dat zij na het uitbrengen van de dagvaarding failliet is verklaard. Op grond van artikel 29 Faillissementswet wordt het geding na de faillietverklaring geschorst om alleen dan voortgezet te worden indien de verificatie van de vordering door de curator betwist wordt.
Slechts Masters in Administration kan als werkgever van [eiseres] worden aangemerkt
2.6.
Vooropgesteld wordt dat [eiseres] per 1 november 2023 een arbeidsovereenkomst is aangegaan met Masters in Administration en dat Masters in Administration die arbeidsovereenkomst per 1 november 2024 heeft verlengd. [eiseres] heeft uit hoofde van die overeenkomst werkzaamheden verricht en heeft daarvoor loon ontvangen van Masters in Administration. Daarmee staat dan ook voldoende vast dat Masters in Administration als werkgever van [eiseres] moet worden aangemerkt.
2.7.
Anders dan [eiseres] heeft gesteld is het enkele feit dat [eiseres] kennelijk vanuit Masters in Finance bij diverse opdrachtgevers werd gedetacheerd onvoldoende om Masters in Finance daarmee eveneens als formele werkgever aan te merken. In dat verband is door Masters in Finance ter zitting bovendien uiteengezet dat er ten aanzien van een tweetal opdrachtgevers slechts om praktische redenen voor gekozen is de eerste periode van detachering van [eiseres] administratief op naam van Masters in Finance te zetten en dat de opdracht vervolgens op reguliere wijze, op naam van Masters in Administration, is uitgevoerd. Dat heeft [eiseres] vervolgens niet meer betwist. [eiseres] heeft verder onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd om aan te kunnen nemen dat Masters in Finance (eveneens) als werkgever van [eiseres] had te gelden.
Geheel ten overvloede overweegt de kantonrechter dat voor toewijzing van de vorderingen van [eiseres] op Masters in Administration geen grond bestaat
2.8.
Partijen zijn het er over eens dat, in geval van arbeidsongeschiktheid, een werknemer van Masters in Administration recht heeft op doorbetaling van 70% van het overeengekomen loon. Niet in geschil is dat [eiseres] sinds 26 mei 2025 arbeidsongeschikt is. Dat betekent dat [eiseres] , voor wat betreft de maanden juni en juli 2025, in beginsel recht heeft op 70% van het overeengekomen loon. Masters in Administration heeft dat verschuldigde bedrag aan loon niet aan [eiseres] betaald. Vast staat dat Masters in Administration per 26 augustus 2025 in staat van faillissement is verklaard en dat het UWV inmiddels op basis van de loongarantieregeling tot doorbetaling van het loon is overgegaan. Tussen partijen bestaat er geen discussie over dat het UWV ook daadwerkelijk de hiervoor genoemde 70% van het overeengekomen loon aan [eiseres] heeft uitbetaald.
2.9.
Ter zitting heeft [eiseres] zich voor het eerst op het standpunt gesteld dat sprake is van situatieve arbeidsongeschiktheid en dat zij daarom recht heeft op doorbetaling van 100% van het loon en niet slechts 70%. In geval van een beroep op situatieve arbeidsongeschiktheid moet de loonvordering van [eiseres] beoordeeld worden langs de weg van artikel 7:628 lid 1 BW, maar daarover heeft [eiseres] in de dagvaarding niets gesteld. Sterker nog, [eiseres] heeft in de dagvaarding slechts aanspraak gemaakt op volledige loondoorbetaling, zonder enige onderbouwing, en heeft in het geheel niet aangevoerd dat er sprake is van situatieve arbeidsongeschiktheid.
2.10.
Het had in dat verband op de weg van [eiseres] gelegen om aannemelijk te maken dat de arbeidsomstandigheden, door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van haar werkgever behoort te komen, voor haar zodanig waren dat van haar redelijkerwijs niet kon worden gevergd dat zij haar werkzaamheden zou verrichten. Daarover heeft [eiseres] echter niets gesteld in de dagvaarding en ook ter zitting heeft zij haar stelling dat sprake is van situatieve arbeidsongeschiktheid op geen enkele wijze onderbouwd. Zonder nadere bewijslevering, waarvoor dit kort geding zich niet leent, kan dan ook niet worden vastgesteld of sprake is van situatieve arbeidsongeschiktheid. Dat betekent dat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij recht heeft op 100% van haar loon.
2.11.
Het bovenstaande leidt er toe dat, nu het UWV reeds 70% van het loon over de maanden juni en juli 2025 heeft uitbetaald, [eiseres] sowieso geen aanspraak meer kan maken op de overige 30% van het loon over de genoemde maanden.
2.12.
Masters Group en Masters in Finance hebben – onder verwijzing naar de loongarantieregeling zoals opgenomen in artikel 61 e.v. Werkloosheidswet – onweersproken gesteld dat het UWV, naast het hiervoor genoemde loon, ook het achterstallige vakantiegeld aan [eiseres] zal betalen, in elk geval over de periode van twaalf maanden voor de datum van het faillissement van Masters in Administration. Dat betekent dat [eiseres] in elk geval verzekerd is van een groot deel van het achterstallige vakantiegeld en voor dat deel van haar vordering dus geen (spoedeisend) belang meer heeft bij toewijzing in dit kort geding. Voor zover het achterstallige vakantiegeld betrekking heeft op de maanden voorafgaand aan de periode van twaalf maanden voor de datum van het faillissement van Masters in Administration en om die reden buiten de loongarantieregeling valt, zal [eiseres] dat deel van haar vordering (ter verificatie) moeten indienen bij de curator.
2.13.
[eiseres] maakt daarnaast aanspraak op de wettelijke verhoging in de zin van artikel 7:625 BW over het te laat betaalde loon en vakantiegeld. Voor zover die vordering al toewijsbaar is, geldt ook daarvoor dat [eiseres] die vordering bij de curator moet indienen.
2.14.
Ten slotte heeft [eiseres] gevorderd Masters c.s. hoofdelijk te veroordelen tot het verstrekken van deugdelijke salarisspecificaties vanaf 20 mei 2025 tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Ook die vordering wordt afgewezen. Masters Group en Masters in Finance hebben ter zitting immers onweersproken gesteld dat de curator in het faillissement van Masters in Administration inmiddels deze salarisspecificaties al aan [eiseres] heeft verstrekt, zodat zij geen belang meer heeft bij toewijzing van deze vordering.
2.15.
Het bovenstaande leidt er toe dat voor toewijzing van de vorderingen van [eiseres] jegens Masters in Administration geen grond bestaat, nog daargelaten dat het geding tegen Masters in Administration van rechtswege geschorst is door het faillissement van die vennootschap. Voor toewijzing van de vorderingen (of een deel daarvan) jegens Masters Group en Masters in Finance bestaat evenmin grond. Hiervoor in r.o. 2.7 is immers al geoordeeld dat, in tegenstelling tot hetgeen [eiseres] stelt, Masters in Finance niet als formele werkgever van [eiseres] kan worden aangemerkt, zodat er geen grondslag bestaat om Masters in Finance te veroordelen tot betaling van enig bedrag, voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst tussen [eiseres] en Masters in Administration.
2.16.
Ten aanzien van haar vorderingen jegens Masters Group heeft [eiseres] in de dagvaarding slechts heel summier gesteld dat Masters Group de rechtspersoonlijkheid van Masters in Administration heeft misbruikt door er bewust voor te kiezen Masters Administration, waarin [eiseres] nog de enige werknemer is, niet langer te financieren en failliet te laten gaan. Volgens [eiseres] zou dat er toe moeten leiden dat Masters Group met Masters in Administration moet worden vereenzelvigd. Daarin volgt de kantonrechter [eiseres] niet. Vereenzelviging van twee rechtspersonen kan namelijk slechts onder zeer bijzondere omstandigheden worden aangenomen [1] , maar het bestaan van dergelijke omstandigheden heeft [eiseres] niet aannemelijk gemaakt. [eiseres] heeft het in dit kader door haar gestelde misbruik in de dagvaarding immers op geen enkel wijze onderbouwd en heeft daarin ook geen andere zeer bijzondere omstandigheden gesteld.
2.17.
Daarnaast heeft [eiseres] pas ter zitting een beroep gedaan op doorbraak van aansprakelijkheid en gesteld dat Masters Group – als bestuurder – aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die [eiseres] als gevolg van het misbruik heeft geleden.
Anders dan uit de dagvaarding kon worden afgeleid legt [eiseres] daarmee feitelijk (ook) bestuurdersaansprakelijkheid aan haar vordering jegens Masters Group ten grondslag.
2.18.
De kantonrechter stelt voorop dat ook voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid een hoge drempel geldt. Daarvoor is ten minste vereist dat het handelen of nalaten van de bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem of haar daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt [2] . Vooralsnog is de kantonrechter van oordeel dat die hoge drempel in dit geval niet gehaald wordt. Zoals hiervoor ook al overwogen heeft [eiseres] het door haar gestelde misbruik door Masters Group – dat door Masters Group gemotiveerd is betwist – immers op geen enkele wijze onderbouwd, ook niet ter zitting. Voor nadere bewijslevering op dit punt is in kort geding geen plaats. Gelet daarop en omdat [eiseres] voor het overige geen andere concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan bestuurdersaansprakelijkheid van Masters Group kan worden aangenomen, is onvoldoende aannemelijk dat de vordering van [eiseres] op deze grond in een eventuele bodemprocedure zal worden toegewezen, zodat er ook geen aanleiding bestaat om op dit punt een voorlopige voorziening te treffen en vooruit te lopen op de uitkomsten in die bodemprocedure.
De proceskosten worden gecompenseerd
2.19.
Omdat alle vorderingen van [eiseres] worden afgewezen bestaat er geen aanleiding Masters c.s. in de proceskosten te veroordelen, laat staan in de reële proceskosten van [eiseres] . In de omstandigheden van het geval – waaronder het feit dat het achterstallige loon van [eiseres] pas na het betekenen van de dagvaarding door het UWV is betaald – ziet de kantonrechter wel aanleiding om, ondanks de afwijzingen van de vorderingen van [eiseres] , de proceskosten te compenseren. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af;
3.2.
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Wetzels en in het openbaar uitgesproken.
44487

Voetnoten

1.Hoge Raad, 13 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7480
2.vgl. o.a. HR 18 februari 2000, nr. C98/208, NJ 2000, 295 en HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758