ECLI:NL:RBROT:2025:14621

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
ROT 25/8555
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening inzake sluiting woning op basis van de Opiumwet

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam op 4 december 2025 uitspraak gedaan over een verzoek om een voorlopige voorziening in het kader van de Opiumwet. De burgemeester van Vlaardingen had besloten om de woning van verzoeker voor de duur van negen maanden te sluiten op basis van artikel 13b van de Opiumwet, omdat er aanwijzingen waren voor verboden voorbereidingshandelingen met betrekking tot drugs. Verzoeker, die in voorlopige hechtenis zit, heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening zodat zijn woning weer open kan. De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen en bepaald dat de woning vanaf 30 januari 2026 weer open mag. De voorzieningenrechter oordeelde dat de burgemeester niet voldoende aannemelijk had gemaakt dat de verlenging van de sluitingsduur met zes maanden evenwichtig was, gezien de omstandigheden van de zaak. De voorzieningenrechter heeft daarbij de ernst van de overtreding en de gevolgen voor verzoeker afgewogen. De burgemeester moet het griffierecht en de proceskosten vergoeden aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/8555

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], uit Vlaardingen, verzoeker

(gemachtigde: mr. R.V. Paniagua),
en

de burgemeester van de gemeente Vlaardingen, de burgemeester

(gemachtigde: mr. L.E. Polak en [naam 1]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam stichting], uit Vlaardingen.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de burgemeester om de woning aan de [adres] (de woning) te sluiten voor de duur van negen maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoeker is het hier niet mee eens en heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Hij verzoekt daarnaast om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. De voorzieningenrechter treft de voorlopige voorziening dat de woning vanaf 30 januari 2026 voorlopig weer open mag
.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 23 oktober 2025 heeft de burgemeester verzoekers woning voor de duur van negen maanden gesloten
.Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De woning is feitelijk gesloten op 30 oktober 2025.
2.1.
De burgemeester heeft op het verzoek om een voorlopige voorziening gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, mr. M.C.A. Schulpen als waarnemer van de gemachtigde van verzoeker, [naam 2] als tolk, de gemachtigden van de burgemeester en [naam 3] namens de politie. Namens de derde-partij is zonder bericht niemand verschenen.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Wat is er gebeurd?
3. Op 2 september 2025 kreeg de politie Automatic Number Plate Recognition (ANPR) meldingen op twee voertuigen. Een Hyundai i20 reed bij twaalf ANPR meldingen voorop en werd kort daarop gevolgd door een Mercedes Vito. De politie heeft de Hyundai later op de dag gecontroleerd en de bestuurder gaf toestemming om de auto te doorzoeken. In de auto werden de volgende goederen aangetroffen:
  • één doos met 1.000 plastic verpakkingszakken;
  • één doos met 24 rollen doorzichtige verpakkingstape;
  • één tas met een digitale weegschaal;
  • één bigshopper met onder andere de diverse goederen.
4. Een kwartier later werd ook de Mercedes gecontroleerd. Verzoeker was de bestuurder van dit voertuig. De politie zag door de achterramen van de bestelbus diverse blauwe tassen met hierin transparante zakken. Nadat deze tassen in beslag waren genomen, bleken deze gevuld te zijn met een bruine substantie welke de politie ambtshalve herkende als heroïne. Hierop is verzoeker op heterdaad aangehouden ter zake overtreding van de Opiumwet. De politie heeft hierop de woning van verzoeker doorzocht. In de woning werd een blokkenpers, twee stempels met mallen en een hydraulische pomp aangetroffen en in beslag genomen. De verdovende middelen werden indicatief getest. Hieruit bleek dat deze een positieve reactie gaven op heroïne. Na weging bleek het te gaan om 59.084 gram (netto).
Waar gaat het in deze zaak om?
5. De burgemeester heeft op grond van de bestuurlijke rapportage het bestreden besluit genomen en besloten de woning te sluiten voor de duur van negen maanden op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet. Verzoeker is het daar niet mee eens. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat de woning weer open gaat totdat op zijn bezwaarschrift is beslist.
Spoedeisend belang?
6. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een spoedeisend belang. Verzoeker zit momenteel in voorlopige hechtenis. Als er geen voorlopige voorziening wordt getroffen, heeft verzoeker geen woning om naar terug te keren als de voorlopige hechtenis wordt geschorst. Daarnaast is de kans dat zijn voorlopige hechtenis wordt geschorst groter als hij een woning heeft om naar terug te keren.

Toetsingskader

7. Op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning een voorwerp of stof voorhanden is waarvan er een redelijk vermoeden is dat deze bestemd is om, kort gezegd, drugs te verwerken
.Voor de uitvoering van haar discretionaire handhavingsbevoegdheid heeft de burgemeester beleid [1] opgesteld. In dit beleid staat in welke gevallen de burgemeester in principe overgaat tot sluiting van een woning. Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt wat het toetsingskader voor de rechter is in geval van uitoefening van een discretionaire handhavingsbevoegdheid op basis van een beleidsregel, om te beoordelen of de burgemeester binnen de grenzen van zijn beoordelings- en beleidsvrijheid is gebleven. [2] Het dient te gaan om een doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig handhavingsbesluit. Daarbij dient de burgemeester ten aanzien van de evenredigheid te bepalen of het besluit geschikt, noodzakelijk en evenwichtig is. [3]
8. Op grond van paragraaf 2.1. van het Damoclesbeleid wordt een woning voor de duur van drie maanden gesloten indien sprake is van verboden voorbereidingshandelingen op grond van artikel 10a van de Opiumwet. In het geval van aanwijzingen voor georganiseerde criminaliteit wordt de sluitingsduur met zes maanden verlengd.
Bevoegdheid
9. Verzoeker voert aan dat de burgemeester niet bevoegd was om de woning te sluiten. Hij stelt daartoe dat in de woning geen drugs zijn aangetroffen en dat uit het politierapport niet blijkt dat de in de woning aangetroffen pers, stempels, mallen en hydraulische pomp bestemd waren om te worden gebruikt voor het vervaardigen, verwerken, bewerken of verpakken van drugs.
9.1.
Dit betoog slaagt niet. Voor de sluitingsbevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet is het niet nodig dat in de woning harddrugs worden aangetroffen. Het gaat erom of de aangetroffen goederen, eventueel in combinatie met andere feitelijkheden, de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een verboden voorbereidingshandeling. De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester dat voldoende aannemelijk heeft gemaakt. In de woning van verzoeker zijn goederen aangetroffen die - zoals de politie ter zitting nader heeft toegelicht - voornamelijk gebruikt worden voor het verwerken van drugs. De voorzieningenrechter heeft gelet op de specialiseerde kennis van de politie geen reden hieraan twijfelen. Verzoeker heeft ook niet onderbouwd dat de in de woning aangetroffen goederen voor een ander doel zouden worden gebruikt. Daarnaast is in de auto die verzoeker in de straat van de woning heeft geparkeerd, ruim 59 kilogram heroïne aangetroffen. Verder heeft verzoeker eerder in Frankrijk 15 maanden vastgezeten voor het vervoeren van cocaïne. Deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, maken dat de burgemeester heeft kunnen concluderen sprake is van verboden voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet. De burgemeester was daarom bevoegd om de woning te sluiten.
Noodzaak
10. Verzoeker voert aan dat de burgemeester had moeten volstaan met een waarschuwing of een last onder dwangsom en dat daarom de noodzaak voor een sluiting ontbreekt.
10.1.
Bij de beoordeling van de noodzaak van een sluiting is de vraag aan de orde of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan, omdat het beoogde doel ook daarmee had kunnen worden bereikt. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding moet worden beoordeeld of sluiting van een pand noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij het pand en het herstel van de openbare orde. Zoals ook volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Opiumwet is hierbij van belang of het pand een schakel vormt in de productie of distributie van drugs. [4] Dit is bij de woning van verzoeker het geval. Verzoeker heeft de auto met ruim 59 kilo heroïne in de straat van zijn woning geparkeerd. Gelet op de aangetroffen goederen in de woning is het aannemelijk dat verzoeker de heroïne uiteindelijk zijn woning in zou hebben gebracht om het daar te verwerken voor de drugshandel. Dat verzoeker van plan was de heroïne naar een andere plek te brengen, zoals verzoeker stelt, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Dit alles maakt dat de burgemeester de woning terecht heeft aangemerkt als een schakel in de keten van het verwerken en in de handel brengen van drugs. De burgemeester heeft gelet hierop de noodzaak tot sluiting van de woning aanwezig mogen achten.
Evenwichtigheid
11. Volgens verzoeker is het besluit tot sluiting van de woning niet evenwichtig. Hij stelt daartoe dat hij als gevolg van de sluiting zijn woning zal kwijtraken. De verhuurder is bevoegd om de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. Daarnaast is de kans dat zijn voorlopige hechtenis wordt geschorst kleiner als hij zijn woning kwijtraakt. Verzoeker lijdt verder aan fysieke klachten en psychische klachten waarvoor hij behandeling krijgt. Vanwege zijn psychische klachten kan verzoeker het zich niet verloven om op straat terecht te komen. Hij is niet geschikt om te verblijven in een opvang voor daklozen. Verzoeker stelt verder dat de sluiting van de woning een inbreuk maakt op zijn rechten van artikel 8 van het EVRM. Ook vindt verzoeker de duur van de sluiting te lang omdat er geen sprake is geweest van georganiseerde criminaliteit.
11.1.
Als de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat sluiting van het pand noodzakelijk is, dient hij zich ervan te vergewissen dat de duur van de sluiting evenwichtig is, ook als de duur in overeenstemming is met de duur die volgt uit een beleidsregel. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid zijn verschillende omstandigheden van belang, zoals de mate van verwijtbaarheid van de aangeschreven persoon, een bijzondere binding met het pand en de mogelijkheid om weer van het pand gebruik te kunnen maken. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig. [5]
11.2.
Inherent aan een sluiting van een woning is dat de bewoner de woning moet verlaten. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. Waterweg Wonen heeft in dit geval aangekondigd om de bestuursrechtelijke procedure niet af te wachten en een civiele ontbindingsprocedure op te starten. Dit kan ertoe leiden dat verzoeker ook na de sluitingsperiode niet meer terug kan naar zijn woning en dat hij op een zwarte lijst komt te staan bij een woningcorporatie als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio. Deze omstandigheden kunnen worden meegewogen bij de evenwichtigheid. [6] Dit hoeft zich echter niet zonder meer tegen sluiting te verzetten, bijvoorbeeld niet als de betrokkene een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt [7] of gezien de ernst van de overtreding [8] .
11.3.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een verwijt kan worden gemaakt van de overtreding. Hoewel verzoeker stelt dat hij niet zelf de goederen de woning in heeft gebracht, was hij er wel van op de hoogte dat de goederen in zijn woning aanwezig waren. Dat de goederen in karton waren verpakt maakt dit niet anders. Verzoeker heeft toegestaan dat iemand de goederen in zijn woning plaatste. Dit komt voor zijn rekening en risico. Ook het betoog van verzoeker dat het vanwege zijn medische beperkingen onevenwichtig is de woning te sluiten, volgt de voorzieningenrechter niet. Verzoeker heeft geen medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij een bijzondere binding heeft met deze specifieke woning. De enkele stelling dat hij het vanwege zijn psychische klachten niet kan veroorloven op straat terecht te komen, is daarvoor onvoldoende. Verder gaat het hier evident niet om een lichte overschrijding van de grens voor een toegestane hoeveelheid heroïne die in de auto van eiser is aangetroffen. Hoewel de drugs niet in de woning is aangetroffen, heeft de burgemeester deze omstandigheid bij de ernst van de situatie mogen betrekken en mogen meewegen in de beoordeling van de evenwichtigheid.
11.4.
Ook ziet de voorzieningenrechter geen reden om aan te nemen dat sluiting van de woning in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De bevoegdheid van de burgemeester tot het gelasten van de sluiting van de woning is bij wet voorzien. [9] De sluiting dient daarnaast een legitiem doel, namelijk het herstel van de openbare orde. De voorzieningenrechter heeft in het voorgaande al geoordeeld dat de burgemeester de sluiting noodzakelijk mocht achten, waardoor er geen strijd is met artikel 8 van het EVRM.
- duur van de sluiting
11.5.
De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van georganiseerde criminaliteit en dat daarom de duur van de woningsluiting van drie maanden wegens verboden voorbereidingshandelingen moet worden verlengd met zes maanden. Hij legt hieraan ten grondslag dat uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat de auto van verzoeker op 2 september 2025 gedurende een langere periode achter een andere auto aan heeft gereden. De auto’s reden gezamenlijk van Schiedam naar Purmerend, vervolgens weer terug richting Schiedam en uiteindelijk naar Vlaardingen.
11.6.
Gelet op wat hiervoor onder 9. tot en met 11.4. is overwogen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat de burgemeester de woning voor de duur van drie maanden heeft kunnen sluiten wegens verboden voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a van de Opiumwet. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de burgemeester echter niet aannemelijk gemaakt dat verlenging van deze sluitingsduur met zes maanden evenwichtig is wegens aanwijzingen voor georganiseerde criminaliteit. De sluiting op grond van de Opiumwet is een pandgerichte maatrelen. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat verzoeker een andere auto is gevolgd en dat er vervolgens 59 kilo heroïne in zijn auto is aangetroffen. Deze omstandigheden, die de burgemeester aan de aanwijzingen voor georganiseerde criminaliteit ten grondslag heeft gelegd, hebben geen betrekking op de woning zelf. In de woning zijn wel goederen aangetroffen die voornamelijk worden gebruikt voor het verwerken van drugs, maar dit is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat verzoeker in georganiseerde verband de drugs in de woning zou gaan verwerken voor de drugshandel. De voorzieningenrechter weegt daarbij mee dat de auto die verzoeker van Schiedam, naar Purmerend en Vlaardingen heeft gevolgd, niet met verzoeker is meegereden naar de straat van de woning. Ook zijn geen andere personen in de auto of woning van verzoeker aangetroffen die met het verwerken of de handel in drugs in verband kunnen worden gebracht. Namens de burgemeester is op zitting verder erkend dat er geen druggerelateerde MMA-meldingen ten aanzien van de woning bekend zijn. Daarmee heeft de burgemeester de vereiste aanwijzingen voor georganiseerde criminaliteit ten aanzien van de woning onvoldoende aannemelijk gemaakt. De sluitingsduur van negen maanden is daarom onevenredig. De burgemeester had moeten volstaan met een sluiting van drie maanden.

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat de woning vanaf 30 januari 2026 voorlopig weer open mag. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat de burgemeester het griffierecht moet vergoeden en dat verzoeker ook een vergoeding krijgt van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor de zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit met ingang van 30 januari 2026 tot drie weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar.
  • treft de voorlopige voorziening dat de woning vanaf 30 januari 2026 voorlopig weer open mag;
  • draagt de burgemeester op het door verzoeker betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden;
  • veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.814,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E.C. Debets, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2025.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit beleid staat in het Besluit van de burgemeester van de gemeente Vlaardingen houdende regels omtrent handhaving van de openbare orde (Damoclesbeleid gemeente Vlaardingen).
2.Uitspraak van de Afdeling van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571 (Greenpeace) en de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 (Harderwijk).
3.Zie rechtsoverwegingen 7.4, 7.6, 7.8-7.9 van de Harderwijk-uitspraak en de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922.
4.Zie Kamerstukken II 2016/17, 34 763, nr. 3, p. 3 en bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 31 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2523 en 23 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3378.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1910.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840.
7.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:719.
8.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1149.
9.Zie artikel 13, eerste lid, van de Opiumwet.