Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Aan het bestreden besluit heeft de minister het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is per 20 september 2024 door zijn onderwijsinstelling uitgeschreven. Daarom heeft hij vanaf oktober 2024 geen recht op studiefinanciering. Eiser heeft zijn reisproduct niet uiterlijk de tiende werkdag van de maand oktober 2024 stopgezet. In de eerste helft van de maand januari 2025 heeft eiser met het reisproduct gereisd. Op grond van artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000 is eiser hiervoor een bedrag van € 185,98 verschuldigd. Van een situatie dat het niet tijdig stopzetten van het reisproduct aantoonbaar niet aan eiser kan worden toegerekend is niet gebleken.
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Volgens eiser heeft de minister geen bewijs overgelegd waaruit zou blijken dat hij opzettelijk of onrechtmatig gebruik heeft gemaakt van het OV-reisproduct. De OV-kaart is zijn eigendom. De minister heeft geen recht om te bepalen of eiser al dan niet gebruik mag maken van het OV-reisproduct. Eiser wijst naar artikel 6:227b van het Burgerlijk Wetboek (BW) en stelt dat, nu de minister het reisproduct niet heeft stopgezet, hij kon aannemen dat hij nog recht had op het reisproduct. Eiser betoogt dat de minister de mogelijkheid heeft om het reisproduct te stoppen, maar dit bewust niet doet. Eiser stelt dat de minister hem niet tijdig heeft geïnformeerd over de noodzaak om het OV-reisproduct stop te zetten. Een waarschuwing of herinnering had de boete kunnen voorkomen, aldus eiser. Hij stelt altijd voor zijn OV-reisproduct te hebben betaald. Hij heeft geen misbruik van het systeem gemaakt. Eiser betoogt recht op vergoeding te hebben nu hij zijn studentenreisproduct pas na 11 maanden heeft geactiveerd. In die periode heeft eiser zijn reiskosten zelf betaald. Daarnaast heeft eiser ook een verzoek om schadevergoeding gedaan en wil hij dat de minister inzichtelijk maakt de kosten die hij voor deze procedure moet maken.
Het oordeel van de rechtbank
5. Niet in geschil is dat eiser op 20 september 2024 is uitgeschreven door de onderwijsinstelling waar hij stond ingeschreven. Daarom heeft hij met ingang van 30 september 2024 geen recht meer op studiefinanciering en ook geen recht meer op een studentenreisproduct. Dat eiser het niet eens is met de uitschrijving, is in deze procedure niet van belang, nu dat gelet op de vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroepeen geschil is tussen hem en de school.
6. Voor zover eiser betoogt dat hij nog recht had op het reisproduct nu volgens artikel 6:227b van BW een overeenkomst tot stand komt door aanbod en aanvaarding en dat er dus geen contractuele verplichting was om het studentenreisproduct stop te zetten, kan de rechtbank hem niet volgen. Het BW is hier niet van toepassing. Het reisproduct wordt niet door een contract aan een student verstrekt, maar op grond van de Wsf 2000 een publiekrechtelijke regeling. De rechten en verplichtingen over het studentenreisproduct zijn in die wet opgenomen.
7. Op grond van artikel 3.27, eerste lid, van de Wsf 2000 is de persoon die een reisrecht toegekend heeft gekregen verplicht er zorg voor te dragen dat het reisproduct is stopgezet op uiterlijk de tiende kalenderdag van de maand waarin zijn aanspraak op reisrecht is beëindigd. In artikel 3.27, tweede lid, van de Wsf 2000 heeft de wetgever dwingend voorgeschreven dat indien het reisproduct niet tijdig is stopgezet en er gebruik van is gemaakt, degene aan wie het reisrecht is toegekend een vast bedrag is verschuldigd.
8. Niet in geschil is dat eiser het reisrecht niet heeft stopgezet uiterlijk de tiende kalenderdag van de maand oktober 2024 en dat er met de OV-kaart van eiser waarop het reisproduct stond in de eerste helft van januari 2025 nog is gereisd. Dat eiser niet zelf met deze kaart heeft gereisd, zoals hij ter zitting heeft erkend, maakt dat niet anders. Voorop staat dat het de verantwoordelijkheid is van eiser om, als hij geen recht meer heeft op studiefinanciering, zijn reisproduct tijdig stop te zetten dan wel daar geen gebruik meer van te maken. Zoals ook ter zitting besproken is het, anders dan eiser kennelijk meent, voor de minister technisch niet mogelijk om het studentenreisproduct zelf stop te zetten. De minister kan alleen opdracht geven aan de organisatie die het studentenreisproduct uitvoert om het reisproduct stop te zetten.
9. Anders dan eiser stelt, heeft de minister hem er meerdere keren, met de berichten van 5, 11 en 16 oktober 2024 op gewezen dat hij zijn reisproduct moet stopzetten. Eiser was derhalve op de hoogte dat hij zijn reisproduct moest stopzetten. Weliswaar is eiser in de periode van 5 november 2024 tot en met 27 december 2024 gedetineerd geweest, maar voor die periode heeft hij, gelet op de genoemde berichten, voldoende tijd gehad om het reisproduct stop te zetten. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd dan ook geen situatie waarin het niet tijdig beëindigen van het reisrecht aantoonbaar niet aan hem kan worden toegerekend
10. Eisers stelling dat hij heeft betaald voor het reisproduct, en er dus geen boete mag worden opgelegd slaagt niet. Eiser heeft weliswaar betaald voor zijn OV-chipkaart, die zijn eigendom is, maar niet voor het reisproduct. Nu eiser ten onrechte van zijn studentenreisproduct gebruik heeft gemaakt is hij een bedrag van € 185,98 verschuldigd. Ook de stelling van eiser dat hij gedurende 11 maanden zijn reisproduct niet heeft geactiveerd kan ook niet tot het oordeel leiden dat hij dit bedrag niet hoeft te betalen.
Verder wil eiser voor het niet gebruiken van zijn reisproduct gedurende die 11 maanden een vergoeding. Hiervoor biedt de Wsf 2000 geen grondslag. Bovendien is het een eigen keuze geweest van eiser om het product niet te activeren en er geen gebruik van te maken.
11. Eiser stelt onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Overijssel.dat er sprake is van indirecte discriminatie In deze uitspraak ging het erom of er ten aanzien van de uitwonendencontrole sprake was van (in)directie discriminatie, Deze situatie doet zich hier niet voor. Ook verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er in dit geval sprake zou zijn van indirecte discriminatie.. Dit betoog slaagt dan ook niet. Verder is de rechtbank niet gebleken dat het zorgvuldigheids- en het evenredigheidsbeginsel is geschonden, nu eiser dat niet concreet voor dit geschil heeft toegelicht.
12. Tenslotte heeft eiser nog gevraagd de minister op te dragen de kosten die verband houden met deze procedure openbaar te maken. Dat gaat de reikwijdte van dit beroep te buiten. De rechtbank zal dit verzoek dan ook niet bespreken.