ECLI:NL:RBROT:2025:13719

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
ROT 23/4491
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek inzake hekwerk op eigen grond met bestemming Tuin

Deze uitspraak betreft de afwijzing van een handhavingsverzoek door de rechtbank Rotterdam op 25 november 2025. Eiser, wonende in [plaats 1], had een handhavingsverzoek ingediend tegen het hekwerk van de heer [belanghebbende], dat volgens hem op grond met de bestemming 'Verkeer' was geplaatst. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoeksche Waard had het verzoek afgewezen, wat eiser niet kon accepteren. De rechtbank oordeelde dat het college in redelijkheid tot deze afwijzing kon komen. De rechtbank onderzocht de beroepsgronden van eiser en concludeerde dat het hekwerk op eigen grond van belanghebbende staat, die de bestemming 'Tuin' heeft. De rechtbank stelde vast dat de wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak in de bijlage bij de uitspraak zijn opgenomen. Eiser had op 4 april 2022 het handhavingsverzoek ingediend, en het college had dit verzoek op 5 januari 2023 afgewezen. Eiser voerde aan dat het hekwerk hinder veroorzaakte voor zijn agrarische activiteiten, maar de rechtbank oordeelde dat de hinder niet zodanig was dat handhaving noodzakelijk was. De rechtbank concludeerde dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving laag is, en dat het college de belangen van eiser voldoende had afgewogen. De uitspraak eindigde met de conclusie dat het beroep ongegrond was, en eiser kreeg geen gelijk.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/4491

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats 1] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoeksche Waard

(gemachtigden: mr. S. Kool-Nijssen & mr. A. Poenai).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het handhavingsverzoek van eiser. Eiser is het hiermee oneens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het handhavingsverzoek in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Hierbij gaat de rechtbank vanaf 5 in op de totstandkoming van het bestreden besluit. Vanaf 7 worden de beroepsgronden besproken. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 4 april 2022 een handhavingsverzoek ingediend ten aanzien van het hekwerk van de heer [belanghebbende] (belanghebbende). Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 5 januari 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 mei 2023 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven, met aanpassing van de motivering.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft belanghebbende op 5 september 2023 gevraagd of hij wil deelnemen aan de beroepsprocedure. Hierop is geen reactie binnengekomen.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 22 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigden van het college deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. Het verzoek om handhaving is gedaan op 4 april 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
4. Ter plaatse gelden de bestemmingsplannen ‘ [adres 1] ’ en ‘Landelijk gebied 2013’. De betreffende grond heeft de bestemming ‘Tuin’.
Totstandkoming van het bestreden besluit
5. Eiser woont op het adres [adres 2] in [plaats 1] . Op 4 april 2022 heeft eiser een handhavingsverzoek ingediend ten aanzien van een hekwerk dat is geplaatst aan de [adres 1] in [plaats 1] , het adres van belanghebbende. Volgens eiser staat dit hekwerk op grond met de bestemming ‘Verkeer’ en dit is niet toegestaan. Door het hekwerk is het niet meer mogelijk om de berm te gebruiken bij het passeren van/met tegemoetkomende brede landbouwvoertuigen op deze smalle dijk. Dit is voor eiser van belang, nu hij aan de overzijde van de [straat 1] een agrarisch bedrijf bezit. Voor zijn bedrijf rijdt eiser daarom regelmatig met agrarische voertuigen over de [straat 2] .
5.1.
Een toezichthouder van de gemeente Hoeksche Waard is ter plaatste geweest om de situatie te controleren. In het naar aanleiding hiervan opgestelde constateringsrapport van 18 mei 2022 staat dat er een hekwerk van 1,50 meter is geplaatst en een poort van 1,95 meter. Het hekwerk is volgens de toezichthouder vóór de voorgevelrooilijn van de woning aan de [adres 1] gelegen en ligt daarom op grond met de bestemming ‘Verkeer’. De poort ligt volgens hem op grond met de bestemming ‘Tuin’.
5.2.
Met de brief van 15 juli 2022 heeft het college aan belanghebbende laten weten dat zij voornemens zijn om een last onder dwangsom op te leggen in verband met overtredingen van wettelijke voorschriften.
5.3.
Op 16 augustus 2022 heeft belanghebbende een zienswijze ingediend. Hierin heeft belanghebbende de argumenten die het college aan het voornemen om tot een last onder dwangsom te komen weersproken, door onder meer mee te delen dat het hekwerk op eigen grond staat.
5.4.
Naar aanleiding van deze zienswijze heeft het college het Kadaster opdracht gegeven om de kadastrale grens in te meten van het perceel van belanghebbende. Deze grensreconstructie is op 22 november 2022 opgemaakt door [persoon A] , landmeter specialist grensreconstructie. Uit het relaas van bevindingen volgt dat het hekwerk op eigen grond van belanghebbende staat.
5.5.
Met het primaire besluit van 5 januari 2023 heeft het college het handhavingsverzoek van eiser afgewezen, onder verwijzing naar de grensreconstructie. De grond waar het hekwerk op staat heeft sinds het wijzigingsplan ‘ [adres 1] ’ van 20 oktober 2020 als geheel de bestemming ‘Tuin’. Op deze bestemming zijn hekwerken tot 1,50 meter toegestaan. Er is geen vergunning voor het hekwerk aangevraagd en het is deels te hoog, maar daar wordt niet tegen opgetreden vanwege een lage prioriteit. In het Handhavingsbeleid 2020-2025 is een prioritering in de handhavingstaken aangebracht en erf- en perceelafscheidingen hebben hierin een lage prioriteit gekregen zodat er voorlopig niet handhavend tegen opgetreden wordt.
5.6.
Eiser heeft op 22 januari 2023 bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn handhavingsverzoek. Hierin geeft hij aan dat de zaak veel te lang heeft geduurd. Het college geeft volgens eiser daarnaast ten onrechte geen gevolg aan de beginselplicht tot handhaving. Eiser betwist dat het hekwerk op eigen grond staat. Hij wijst er ook op dat de straatlantaarn bij het hekwerk is verplaatst en dat het hekwerk voor het inmeten door het Kadaster illegaal is verplaatst. Volgens eiser hoort de berm over een breedte van minimaal 1,50 meter obstakelvrij te zijn, waarbij hij verwijst naar de Keur van het Waterschap (de Keur). Eiser vindt het tot slot ongepast dat belanghebbende een kopie van het besluit heeft ontvangen waarin eisers naam wordt genoemd.
5.7.
Op 13 maart 2023 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden bij de ambtelijke hoorcommissie van de gemeente Hoeksche Waard (de commissie). Op 18 april 2023 heeft deze commissie een advies opgesteld. Hierin stelt de commissie vast dat het hekwerk gelegen is op grond van belanghebbende. De afstandseis van 1,50 meter vanaf de berm is opgenomen in de Keur van het Waterschap en het college is niet bevoegd om de Keur van het Waterschap te handhaven. De commissie stelt verder vast dat op gronden met de bestemming ‘Tuin’ geen erf- en terreinafscheidingen hoger dan 1,50 meter mogen worden gebouwd. Enkel de poort komt hier bovenuit. Omdat zowel het hekwerk als de poort ‘bouwwerken’ zijn, is voor het plaatsen hiervan wel een omgevingsvergunning vereist. Deze zijn niet aangevraagd.
De commissie is echter van oordeel dat het college in de gegeven omstandigheden heeft kunnen beslissen om voorlopig niet handhavend op te treden. Het stellen van prioriteiten in het handhavingsbeleid is toegestaan, mits dit beleid niet inhoudt dat tegen overtredingen met een lage prioriteit nooit wordt opgetreden. Wanneer een belanghebbende om handhaving verzoekt mag het college niet enkel met een verwijzing naar het prioriteringsbeleid van handhaving afzien. Het college zal in het individuele geval een afweging moeten maken waarbij de belangen van de verzoeker worden betrokken. Hier is volgens de commissie in het onderhavige geval aanvankelijk niet aan voldaan, maar het college heeft in het verweerschrift voor de hoorzitting wel de belangen afgewogen en dat inzichtelijk gedaan.
Het college heeft aangegeven dat het hekwerk legaliseerbaar is. De vergunning voor het hekwerk moet worden verleend wanneer deze wordt aangevraagd omdat een hekwerk van 1,50 meter volgens het bestemmingsplan is toegestaan. Ten aanzien van de poort dient een eigen afweging plaats te vinden of legalisatie wenselijk is, omdat de poort hoger is dan volgens het bestemmingsplan is toegestaan. Bij deze afweging heeft het college aangegeven dat de poort verder van de weg is gelegen en dat de last die bezwaarmaker stelt te ondervinden minder zwaar weegt dan het belang van belanghebbende. Bezwaarmaker stelt hinder te ondervinden bij het passeren van elkaar tegemoetkomende landbouwvoertuigen. Deze hinder zal niet verdwijnen als er een vergunning voor het hekwerk en de poort aan belanghebbende wordt verleend. Ook zonder het hekwerk en de poort zal bezwaarmaker de door hem gestelde hinder ondervinden. Het hekwerk en de poort staan immers min of meer in lijn met de naastgelegen woning en andere naastgelegen (al dan niet vergunningvrije) erfafscheidingen en bebouwing. Ook de lantaarnpaal, die zich nog voor het hekwerk bevindt, zal bezwaarmaker op zijn weg tegenkomen. Bovendien komt deze hinder alleen voor als er gelijktijdig twee brede landbouwvoertuigen tegemoet komen, wat niet doorlopend het geval zal zijn. Verder zijn er op de [straat 2] passeerstroken aangebracht die deze hinder kunnen verminderen.
Tegenover het belang van bezwaarmaker om zo min mogelijk hinder te ondervinden staat het algemeen belang dat gediend is met handhaving. Dat is hier laag. Er is immers een lage prioriteit toegekend aan het handhaven van erfafscheidingen. De erfafscheiding staat in het buitengebied, staat op eigen grond en is legaliseerbaar. Handhaving zou in dit geval betekenen dat belanghebbende zijn erfafscheiding deels zou moeten verwijderen en/of terugbrengen naar een (vergunningvrije) hoogte van één meter. De commissie acht het niet onredelijk dat het college onder deze omstandigheden heeft besloten om voorlopig niet handhavend op te treden. De commissie adviseert wel om de voorlopigheid nader te bepalen. Zoals het nu is besloten is de termijn naar de mening van de commissie te onbepaald. De commissie adviseert het college om in het besluit een passende termijn op te nemen waarbinnen belanghebbende een vergunning voor het hekwerk en de poort dient aan te vragen.
5.8.
Met het bestreden besluit van 22 mei 2023 heeft het college het advies van de commissie grotendeels overgenomen, met uitzondering van het advies om een passende termijn te noemen waarbinnen belanghebbende een vergunning moet aanvragen. Dit is volgens het college niet in lijn met het handhavingsbeleid. Het bezwaar is ongegrond verklaard.
5.9.
Eiser heeft op 27 juni 2023 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft hierop gereageerd met het verweerschrift van 27 juli 2023.
De beginselplicht tot handhaving
6. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal bij een overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. [1] Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025 [2] , geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak. [3] Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er sprake van een bijzonder geval waarin van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
De bestemming
7. Eiser betoogt allereerst dat het hekwerk van belanghebbende in de berm van de openbare weg is geplaatst. Deze grond heeft de bestemming ‘Verkeer’. Het Waterschap heeft op 21 juni 2023 aan eiser per e-mail bevestigd dat het hekwerk 0,90 cm uit de rand van de weg in de berm staat op perceel [perceelnummer 1] , eigendom van het Waterschap. Het college dient handhavend op te treden wanneer gronden met de bestemming ‘Verkeer’ aan het verkeer worden onttrokken. De berm was vóór het plaatsen van het hekwerk al meer dan dertig jaar openbaar terrein, waardoor deze grond de bestemming ‘Verkeer’ heeft.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Blijkens de grensreconstructie van het Kadaster staat het hekwerk volledig op eigen grond van belanghebbende. Uit schets A van het relaas van bevindingen blijkt dat het hekwerk op het perceel [perceelnummer 2] staat. Dit perceel is in eigendom van belanghebbende en had aanvankelijk de bestemming ‘Agrarisch’. Met het wijzigingsplan ‘ [adres 1] ’ van 20 oktober 2020 heeft deze grond deels de bestemming ‘Tuin’ en deels de bestemming ‘Wonen’ gekregen. Het hekwerk staat op grond met de bestemming ‘Tuin’.
De afstandseis van 1,50 meter
8. Eiser stelt zich daarnaast op het standpunt dat het hekwerk in strijd is met de Keur. Op grond van de Keur dient de eerste 1,50 meter van de berm, gemeten loodrecht op de rijbaan, obstakelvrij te zijn. Eiser heeft ten aanzien van het hekwerk ook handhavingsverzoeken ingediend bij het Waterschap. Met de besluiten van 17 september 2020 en 14 maart 2023 heeft het Waterschap schriftelijk toegezegd erop toe te zien dat bij een wijziging van de bestemming van de gronden aan de [adres 1] in het wijzigingsbestemmingsplan wordt opgenomen dat het hekwerk op 1,50 meter van de kant van de weg moet komen te staan en dat zij om die reden vooralsnog niet handhavend zullen optreden. Dit is echter niet gebeurd. De openbare weg bestaat volgens eiser uit de rijbaan met daarnaast een berm van minimaal 1,50 meter. Gelet hierop staat het hekwerk dus op de openbare weg. De verwijzing door het college naar de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2022 betreft misleiding, nu het in die zaak ging om het bouwen van een woning met het wel of niet grondwaterneutraal bouwen van een kelder. [4] Dit is niet gelijk aan de onderhavige situatie.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De openbare weg waaraan het hekwerk ligt is eigendom van het Waterschap Hollandse Delta. In de Keur is, zoals eiser terecht stelt, opgenomen dat de eerste 1,50 meter van de berm, gemeten loodrecht op de rijbaan, obstakelvrij behoort te zijn. In het onderhavige geval heeft eiser echter een handhavingsverzoek ingediend bij het college van de gemeente Hoeksche Waard en zij zijn onbevoegd om op overtredingen van de Keur te handhaven. Anders dan uit de twee handhavingsbesluiten van het Waterschap van 17 september 2020 en 14 maart 2023 volgt, is de afstandseis van 1,50 meter niet in het wijzigingsplan ‘ [adres 1] ’ opgenomen. Hierop kan daarom niet door het college worden gehandhaafd, maar enkel door het Waterschap zelf. Ter zitting heeft eiser aangegeven dat hij tegen het handhavingsbesluit van het Waterschap een beroepsprocedure heeft lopen. Dit punt kan daarom in die procedure ter discussie worden gesteld. Het college stelt terecht dat een bestemmingsplan en een Keur verschillende doeleinden dienen. Het enkele feit dat de uitspraak waarnaar het college ter onderbouwing hiervan verwijst feitelijk niet exact overeenkomt met onderhavige situatie maakt nog niet dat deze verwijzing misleiding betreft.
Artikel 5 Wegenverkeerswet
9. Eiser voert voorts aan dat het hekwerk in strijd is met artikel 5 van de Wegenverkeerswet en dat het college hiermee bekend hoort te zijn. Op grond van dit artikel is het een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt, of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. Het in de berm geplaatste hekwerk van belanghebbende is hiermee in strijd, omdat dit hekwerk weggebruikers hindert bij het passeren van tegemoetkomende landbouwvoertuigen. Hierdoor ontstaan gevaarlijke situaties.
9.1.
De rechtbank overweegt dat deze beroepsgrond geen doel treft. Zoals het college terecht stelt is de Wegenverkeerswet enkel van toepassing op openbare wegen. Het hekwerk staat niet op een openbare weg maar op privégrond van belanghebbende.
Passeerstroken
10. Eiser stelt dat de stelling van het college dat er op de [straat 2] passeerstroken aanwezig zijn niet correct is en dat het juist de bermen zijn die worden gebruikt om grote landbouwvoertuigen te (laten) passeren. Door het hekwerk van belanghebbende is dit niet meer mogelijk. Dit wordt bevestigd door de beelden van Google Streetview van maart 2019.
10.1.
Het college verwijst op dit punt naar de toelichting in het verweerschrift van 27 juli 2023. Er is ter hoogte van de poort van het hekwerk van belanghebbende een uitwijkmogelijkheid aanwezig waar voertuigen elkaar kunnen passeren. Hier is de breedte van de weg ruim zes meter, terwijl dit ter hoogte van het hekwerk zelf vier meter is. De college heeft hiervan tevens een foto toegevoegd. Met deze toelichting en onderbouwing heeft het college aangetoond dat er passeerstroken aanwezig zijn zodat het betoog van eiser niet slaagt.
Legalisatie
11. Verder stelt eiser dat het niet klopt dat het hekwerk legaliseerbaar is. Nu de bestemming ‘Verkeer’ betreft en ook de Keur nageleefd moet worden is legalisatie volgens eiser onmogelijk.
11.1.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld staat het hekwerk op grond staat met bestemming ‘Tuin’ welke grond in eigendom is van belanghebbende. Op grond van het bestemmingsplan zijn hierop erf- en terreinafscheidingen tot maximaal 1,50 meter toegestaan. Voor het deel dat niet hoger dan 1,50 meter is – het overgrote deel – betekent dit dat indien belanghebbende een bouwvergunning aanvraagt en aan alle vereisten van 2.10, eerste lid, onder a van de Wabo wordt voldaan, de vergunning moet worden verleend. Enkel voor het hogere deel – de poort – moet ook een vergunning voor afwijken van het bestemmingsplan worden aangevraagd waarbij een belangenafweging moet plaatsvinden. In dit kader wordt niet aan de Keur getoetst.
Het prioriteringsbeleid en de belangenafweging
12. Eiser stelt zich tot slot op het standpunt dat het beroep van het college op het prioriteringsbeleid onbegrijpelijk is. Het college en de commissie verwijzen naar twee uitspraken van de Afdeling die niet relevant zijn voor onderhavige zaak. Het college heeft volgens eiser ook niet inzichtelijk gemaakt welk gewicht er aan zijn belang bij handhaving is toegekend. Eiser heeft een agrarisch bedrijf en maakt met landbouwvoertuigen veelvuldig gebruik van de [straat 2] om het bedrijf en de in de directe omgeving gelegen landerijen te bereiken. Het hekwerk hindert eiser enorm.
12.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de commissie in het advies verwijst naar een uitspraak van de Afdeling van 22 december 2021. [5] Dit betreft vaste rechtspraak over de beginselplicht tot handhaving en is daarom relevant voor onderhavige zaak. Het feit dat die zaak een ander feitencomplex kent doet hier niet aan af.
12.2.
Voorts stelt de rechtbank vast dat uit vaste jurisprudentie volgt dat het is toegestaan om prioriteiten te stellen in het handhavingsbeleid. Dit beleid mag echter niet inhouden dat tegen overtredingen waaraan een lage prioriteit is toegekend nooit wordt opgetreden. Wanneer door een belanghebbende om handhaving wordt verzocht is een enkele verwijzing naar het prioriteringsbeleid onvoldoende. In die situatie zal het bestuursorgaan voor dat individuele geval een belangenafweging moeten maken, waarbij de belangen van de verzoeker om handhaving worden betrokken. Hierbij moet worden bezien of het bestuursorgaan ondanks de prioritering in het concrete geval alsnog moet optreden. [6]
12.3.
Het college heeft ten aanzien van eiser een belangenafweging gemaakt, waarbij is beoordeeld of ondanks de lage prioritering voor overtredingen met betrekking tot erf- en terreinafscheidingen, toch handhavend moet worden opgetreden tegen het hekwerk van belanghebbende. Uit het advies van de commissie, waar het college naar heeft verwezen in het bestreden besluit, volgt daarover het volgende. Eiser ondervindt hinder van het hekwerk wanneer hij met een landbouwvoertuig andere landbouwvoertuigen moet passeren. Dit zal hoogstwaarschijnlijk niet doorlopend het geval zijn. Het hekwerk van 1,50 meter is daarnaast legaliseerbaar. Wanneer belanghebbende hiervoor een vergunning aanvraagt en aan alle vereisten van artikel 2.1, eerste lid, onder a van de Wabo wordt voldaan, moet het college deze vergunning verlenen. Hierbij vindt er geen belangenafweging plaats. Dit is enkel het geval bij de poort van 1,95 meter, nu hiervoor tevens een afwijkingsvergunning noodzakelijk is. Deze poort ligt echter op een breder stuk waardoor eiser hier weinig hinder van ondervindt. Het hekwerk is verder niet het enige object op de [straat 2] dat voor hinder kan zorgen bij het passeren. In lijn met het hekwerk staan er immers ook woningen, andere terreinafscheidingen en overige bebouwing. Het algemeen belang dat gediend is met handhaving is in deze kwestie laag, nu er een lage prioriteit aan dit soort overtredingen is toegekend. Het hekwerk staat verder in het buitengebied en op eigen grond van belanghebbende. Het verlagen van het hekwerk tot een (vergunningvrije) hoogte van één meter zal bovendien de hinder die eiser ondervindt niet wegnemen, terwijl belanghebbende er wel belang bij heeft om zijn terrein te kunnen afscheiden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college hiermee de belangenafweging zorgvuldig uitgevoerd en inzichtelijk gemotiveerd waarom zij ervoor heeft gekozen om niet handhavend op te treden. Hierbij zijn de belangen van eiser naar het oordeel van de rechtbank voldoende betrokken. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Veth, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 5:1
1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
[…]

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2.1
1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,
b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,
[…]
Artikel 2.10
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:
a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;
b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;
c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;
d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;
e. de activiteit een wegtunnel als bedoeld in de Wet aanvullende regels veiligheid wegtunnels betreft en uit de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, eerste lid, van die wet gestelde norm.
2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
1. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,
2. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of
3. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;
[…]

Wijzigingsplan ‘ [adres 1] ’ (toelichting & verbeelding)

Initiatiefnemer, de heer [belanghebbende] , woont op het perceel [adres 1] te [plaats 1] . Dit perceel kent een ondiepe zij- en achtertuin. Op enig moment is heeft initiatiefnemer het aanbod gekregen om het perceel naast dat van hem aan te kopen van het Waterschap Hollands Delta. Voorwaarde is wel dat de agrariër, die het perceel als toegangsweg naar de achtergelegen agrarische gronden gebruikt, het perceel kan blijven gebruiken. Door het perceel aan te kopen kan de tuin bij de woning worden verruimd en ontstaat meer gelegenheid voor parkeren. De percelen zijn kadastraal bekend als [plaats 1] , [sectie 1] , [perceelnummer 3] en [plaats 2] [sectie 2] , [perceelnummer 4] , gezamenlijk circa 900 m2 groot (hierna: "het perceel"). Op het perceel is een bomenrij aanwezig die onderdeel uitmaakt van structuurgroen langs de dijk. Deze bomenrij blijft gehandhaafd
[…]
Het voorliggende wijzigingsplan wijzigt de agrarische bestemming naar een bestemming 'Wonen' en 'Tuin'. Om te borgen dat er geen extra woning mag worden gebouwd binnen dit plangebied is dit in de regels uitgesloten. Verder is ook aangegeven dat het plangebied behoort bij het naastgelegen bouwperceel [adres 1] (kadastraal [perceelnummer 5] ).
Onderstaande afbeelding toont de nieuwe verbeelding voor het plangebied die de inzet van dit wijzigingsplan vormt.
[afbeelding]

Planregels

Artikel 1.2 Definitie bestemmingsplan
het bestemmingsplan Landelijk Gebied 2013 (NL.IMRO.0611.landelijkgebied-VA01);
Artikel 3 Tuin
De regels van de bestemming Tuin uit artikel 15 van het bestemmingsplan zijn onverkort van toepassing met dien verstande dat deze gronden niet worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidt op het moment van de datum van inwerkingtreding van dit plan.
Artikel 4 Wonen
De regels van de bestemming Wonen uit artikel 19 van het bestemmingsplan zijn onverkort van toepassing met dien verstande dat:
in afwijking van artikel 19.2.1 sub a van het bestemmingsplan binnen het bestemmingsvlak geen woning mag worden gebouwd;
het plangebied behoort bij het naastgelegen perceel [adres 1] (kadastraal [perceelnummer 5] ).

Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied 2013’ (planregels)

Artikel 15.1.1
De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
bij woningen behorende tuinen,
onbebouwde erven,
toegangspaden en andere verhardingen;
parkeervoorzieningen;
water.
Artikel 15.2.2
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,5 m;
de bouwhoogte van overige andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m.
Artikel 19.1.1
De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor:
wonen:
beroepsmatige activiteiten;
aan de functie onder a gebonden parkeervoorzieningen.
Artikel 19.2.2
ten aanzien van de lid 19.1 bedoelde gronden de volgende bouwregels voor andere bouwwerken gelden:
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1,5 m;
de bouwhoogte van overige andere bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 m.

Keur voor waterschap Hollandse Delta 2014

Artikel 4.3 Gebruik, aanleg beschadigen en veranderen van een weg
Het is verboden zonder vergunning van het bestuur om:
a. een weg te gebruiken in strijd met het doel daarvan;
b. een weg aan te leggen en/of veranderingen aan de weg aan te brengen;
c. enig werk aan te brengen, te houden, te veranderen of te verwijderen boven, op, in, naast of onder de weg.
d. stoffen, modder, voorwerpen, dieren of beplantingen(aan) te brengen of te hebben;
e. standplaats in te nemen met een voertuig, kraam of tent voor verblijf of verkoop van waren.

De Beleidsnota Wegen

3.2.
Objecten nabij wegen
Algemeen
Objecten nabij wegen kunnen afbreuk doen aan de instandhouding en bruikbaarheid van de weg en kunnen de verkeersveiligheid van de weggebruikers aantasten. Vooral de verkeersveiligheid kan nadelig worden beïnvloed door de plaatsing van objecten in en nabij wegen. Verkeer kan worden afgeleid door bijvoorbeeld reclame-uitingen, voorlichtingsborden of bijzondere objecten. Objecten zoals afrasteringen en beplantingen kunnen het zicht beperken. Al deze objecten vormen ook een obstakel als verkeer van de rijbaan afraakt. Vooral op drukke punten vormt dat een extra veiligheidsrisico.
Naast de verkeersveiligheid speelt ook het zogenaamde profiel van vrije ruimte een belangrijke rol. Objecten in de wegbermen moeten (ruim) buiten dat profiel van vrije ruimte blijven om geen belemmering te vormen voor het verkeer dat van de weg gebruik maakt. Tevens kunnen objecten in of nabij wegen indirect fungeren als een fysieke belemmering bij het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. Anderzijds kunnen objecten zoals verwijs- en voorlichtingsborden, leiden tot minder zoekende weggebruikers of kunnen deze objecten weggebruikers bewust maken van onveilig gedrag. Objecten zoals lichtmasten, verkeersborden, bewegwijzering en verkeerstekens, zijn juist noodzakelijk in verband met het goed functioneren van wegen en bevorderen juist de verkeersveiligheid.
Afweging
De Keur verbiedt het aanbrengen van objecten nabij wegen omdat objecten een negatieve invloed kunnen hebben op de verkeersveiligheid en de instandhouding en bruikbaarheid van de weg. WSHD wil de wegbermen daarom zo veel mogelijk vrij houden van obstakels/ objecten. Sommige objecten zijn echter noodzakelijk voor het goed functioneren van wegen. Het plaatsen van objecten nabij wegen mag echter geen belemmering zijn voor de instandhouding/bruikbaarheid van de weg en de verkeersveiligheid van de weggebruikers. In het kader van de vergunningverlening is het daarom noodzakelijk dat in het geval van het plaatsen van objecten nabij wegen wordt voldaan aan de in deze beleidsregel opgenomen criteria, zodat het functioneren van de weg en daarmee de wegenbelangen gewaarborgd blijven.
Toetsingscriteria
Een vergunningaanvraag voor het aanbrengen van objecten nabij wegen wordt aan de volgende criteria/eisen getoetst:
Algemene criteria
Het algemene uitgangspunt is dat wegbermen zoveel mogelijk vrij zijn van obstakels. De afweging of een object al dan niet kan worden toegestaan is gebaseerd op de verkeersfunctionaliteit van het object:
[…]
H. Overige objecten
Voor overige objecten die niet vallen onder A t/m G moet de vergunningaanvrager de verkeersfunctionaliteit van het te plaatsen object aantonen.
Normeisen
Nadat is aangetoond dat het object voldoende verkeersfunctioneel is, worden aan de objecten eisen gesteld om de verkeersveiligheid en de bereikbaarheid te waarborgen en worden de gevolgen voor onderhoud door WSHD meegenomen.
Als eisen daarvoor gelden:
- handhaven zichtbaarheid bij bochten, kruispunten en in- en uitritten;
- waarborgen mogelijkheden van onderhoud bermen en wegsloten;
- waar mogelijk toepassen van regels obstakelvrije zone uit het
Handboek Wegontwerp gebiedsontsluitingswegen en erftoegangswegen.4)
4) Publicaties 164 c en d. CROW kenniscentrum voor verkeer, vervoer en infrastructuur, Ede, 2002.
tabel minimale obstakelvrije zone vanaf de markering
weg
aantal meter
Gebiedsontsluiting
4,5 meter, of de grens van de weg volgens de Keur waar deze binnen deze afstand ligt.
Erftoegangsweg I en II
1,5 m
Fietspad
1,0 m

Voetnoten

1.ABRvS 30 oktober 2024, ECLI:NL:2024:4375.
2.ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
3.ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285.
4.ABRvS 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3733.
5.ABRvS 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2930
6.Zie bijvoorbeeld ABRvS 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1982 & ABRvS 1 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1961.