Eiseres werd door de staatssecretaris verplicht een lening van €6.450,- terug te betalen voor het inburgeringstraject. Na meerdere bezwaar- en beroepsprocedures vernietigde de rechtbank het oorspronkelijke besluit. De staatssecretaris trok het bestreden besluit in en liet de terugbetalingsverplichting vervallen, waarmee het beroep feitelijk werd ingewilligd.
De rechtbank oordeelde dat eiseres geen procesbelang meer had bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep, waardoor het niet-ontvankelijk werd verklaard. Eiseres had echter een verzoek ingediend tot vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De procedure duurde, na aftrek van een prejudiciële fase, 4 jaar en 6 maanden, wat 2 jaar en 6 maanden langer was dan de redelijke termijn van 2 jaar.
De overschrijding werd deels toegerekend aan de bestuursorganen en deels aan de rechterlijke fase. Daarom werd de vergoeding van €2.500,- naar evenredigheid verdeeld tussen de staatssecretaris en de Staat der Nederlanden. Tevens werd het griffierecht en proceskostenvergoeding aan eiseres toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter G.P. Kleijn op 17 november 2025.