AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Toepassing kostendelersnorm bij AIO-aanvulling ondanks mantelzorgsituatie
Eiseres ontvangt een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) en woont samen met haar dochter, die vanwege haar scheiding bij haar is ingetrokken en mantelzorg verleent. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft de AIO-aanvulling verlaagd door de kostendelersnorm toe te passen, omdat de dochter als kostendeler wordt aangemerkt.
Eiseres betoogt dat bijzondere omstandigheden, zoals haar medische problematiek en de mantelzorg van haar dochter, toepassing van artikel 47c van de Participatiewet rechtvaardigen en dat de kostendelersnorm in strijd is met artikel 8 EVRMPro. De rechtbank oordeelt dat de dochter voldoet aan de wettelijke definitie van kostendeler en dat de kostendelersnorm dwingendrechtelijk is, zonder uitzonderingen voor mantelzorgsituaties.
De rechtbank concludeert dat geen schrijnende situatie is aangetoond die afwijkt van de kostendelersnorm rechtvaardigt. De stelling van schending van artikel 8 EVRMPro is onvoldoende onderbouwd. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding of terugbetaling van griffierecht.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de toepassing van de kostendelersnorm op de AIO-aanvulling.
Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1551
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.A. Spek),
en
de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de SVB
(gemachtigde: mr. K. Verbeek).
Procesverloop
1. Met het besluit van 28 augustus 2024 (het primaire besluit) heeft de SVB de hoogte van de aan eiseres toegekende aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) op grond van de Participatiewet (Pw) per september 2024 gewijzigd door de kostendelersnorm toe te passen.
1.1.
Met het besluit van 7 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft de SVB het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 7 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de SVB.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiseres ontvangt in aanvulling op haar ouderdomspensioen een AIO-aanvulling. In het kader van een onderzoek naar de woonsituatie van eiseres heeft de SVB eiseres om informatie gevraagd. Eiseres heeft in reactie hierop met een brief van 29 november 2023 onder meer verklaard dat haar dochter bij eiseres is ingetrokken, vanwege haar scheiding. Vanaf 3 februari 2021 staat de dochter van eiseres met een briefadres ingeschreven op het woonadres van eiseres. Vanaf april 2021 heeft de dochter haar hoofdverblijf op het woonadres van eiseres. Vervolgens heeft de SVB het primaire besluit genomen. De SVB legt daaraan ten grondslag dat de dochter van eiseres als kostendeler moet worden aangemerkt.
2.1.
In het bestreden besluit heeft de SVB het standpunt gehandhaafd dat de dochter van eiseres moet worden aangemerkt als kostendeler.
Het standpunt van eiseres
3. Eiseres heeft aangevoerd dat er bijzondere omstandigheden zijn waardoor haar dochter bij haar is komen wonen. Eiseres kampt met medische problematiek die het nodig maakt dat er 24 uur per dag toezicht is. De dochter van eiseres heeft tijdelijk haar woning achtergelaten om voor haar moeder te zorgen. De dochter heeft geen inkomen waardoor de kosten van de woning en de huishouding van eiseres niet gedeeld kunnen worden. De dochter is weliswaar (gedeeltelijk) eigenaar van een woning, maar het kan niet van haar worden gevergd die te gelde te maken. Volgens eiseres moet toepassing worden gegeven aan artikel 47c, eerste lid, van de Pw. Er is sprake van een schrijnende situatie en bij het handhaven van de kostendelersnorm zal de dochter zich moeten beraden op het al dan niet kunnen verlenen van mantelzorg. Eiseres stelt dat de toepassing van de kostendelersnorm in strijd is met artikel 8 vanPro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
Het oordeel van de rechtbank
4. Vast staat dat eiseres en haar dochter samenwonen. De rechtbank moet beoordelen of de SVB terecht de kostendelersnorm heeft toegepast.
5. Op grond van artikel 22a, eerste lid, van de Pw is op de belanghebbende van 21 jaar of ouder de kostendelersnorm van toepassing indien de belanghebbende één of meer kostendelende medebewoners heeft.
6. Volgens artikel 19a, eerste lid, van de Pw wordt onder kostendelende medebewoner verstaan de persoon van 27 jaar of ouder die in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft. De dochter van eiseres is 27 jaar of ouder en zij heeft haar hoofdverblijf op het adres van eiseres. Dit betekent dat de dochter van eiseres terecht als kostendeler is aangemerkt.
7. De artikelen 22a en 19a van de Pw zijn dwingendrechtelijk van aard. Behalve de in artikel 19a vermelde uitzonderingen, die hier niet van toepassing zijn, biedt artikel 19a geen ruimte om af te wijken van de kostendelersnorm of om die buiten toepassing te laten. Met het invoeren van de kostendelersnorm heeft de wetgever beoogd dat bij de vaststelling van de toepasselijke bijstandsnorm direct rekening wordt gehouden met de voordelen van het kunnen delen van de kosten met één of meer personen die in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. [1] Daarbij is niet van belang of zij de kosten feitelijk delen of daaraan bijdragen. [2] De wetgever heeft er bewust voor gekozen om de kostendelersnorm ook van toepassing te laten zijn op personen die een woning delen met een bloedverwant in de eerste of tweede graad en waarbij sprake is van een zorgbehoefte. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de redenen waarom men de woning deelt los staan van de voordelen waarmee de kostendelersnorm rekening houdt. [3] Deze voordelen zijn ook aanwezig als sprake is van het verlenen van mantelzorg. De wetgever heeft mantelzorgsituaties bewust niet willen uitzonderen van de kostendelersnorm. Dat de dochter van eiseres mantelzorg verleent en geen zelfstandig inkomen heeft, betekent dus niet dat de kostendelersnorm niet op haar van toepassing is.
8. De rechtbank is met de SVB van oordeel dat geen sprake is van een schrijnende situatie die tot afstemming op grond van artikel 47c, eerste lid, van de Pw noopt. Dat de dochter geen zelfstandig inkomen heeft, is daarvoor onvoldoende. Het gaat er om dat de dochter inkomen kan verwerven en dat is niet onmogelijk. Eiseres had, voordat de AIO-norm werd aangepast naar de kostendelersnorm, al structurele problemen om haar vaste lasten te betalen. Daarnaast beschikt de dochter over een eigen woning. De dochter kan in deze woning wonen, de woning verkopen of huur vragen aan haar nichtjes die (gratis) in de woning wonen om een bijdrage te leveren aan de kosten van eiseres. Er is ook niet op andere wijze gebleken van zeer bijzondere omstandigheden.
9. De rechtbank oordeelt dat eiseres haar stelling dat artikel 8 vanPro het EVRM geschonden is, onvoldoende heeft onderbouwd. Deze grond slaagt daarom niet.
10. De rechtbank heeft begrip voor de situatie waarin eiseres en haar dochter zich bevinden. De gezondheidsklachten van eiseres staan niet ter discussie en de rechtbank begrijpt dat eiseres zorg nodig heeft. De conclusie kan echter, gelet op wat hiervoor is overwogen, niet anders zijn dan dat de SVB terecht de kostendelersnorm heeft toegepast.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, rechter, in aanwezigheid van
R.P. Evegaars, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 1 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3870.