Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verklaring omtrent gedrag (VOG) om als medewerker facilitair te kunnen werken bij een bedrijf waar hij met kwetsbare minderjarigen in contact komt. De minister van Justitie en Veiligheid heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiser op 21 juni 2024 in eerste aanleg is veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid, een zedenzaak die relevant is voor het screeningsprofiel van de functie.
Eiser betwist de ernst van het feit en stelt dat het een eenmalig incident betrof zonder seksuele intentie, waarbij hij slechts een knuffel gaf die verkeerd is opgevat. Hij voert aan dat de veroordeling nog niet onherroepelijk is en dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn persoonlijke omstandigheden. De rechtbank oordeelt echter dat het objectieve criterium voor afwijzing van de VOG wordt bepaald door het risico voor de samenleving bij herhaling van het strafbare feit, ongeacht de persoonlijke omstandigheden of de onherroepelijkheid van de veroordeling.
Bij het subjectieve criterium, waarbij het belang van eiser wordt afgewogen tegen het maatschappelijk belang, concludeert de rechtbank dat de minister in redelijkheid heeft geoordeeld dat het risico voor de samenleving zwaarder weegt. De enkele taakstraf en het feit dat het om één incident gaat, veranderen hier niets aan. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor eiser geen VOG krijgt en ook geen proceskostenvergoeding ontvangt.