ECLI:NL:RVS:2021:128
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verklaring omtrent gedrag voor taxichauffeurskaart na meervoudige justitiële gegevens
De appellant, houder van een Wajong-uitkering, vroeg op 12 mei 2020 een verklaring omtrent gedrag (VOG) aan om als taxichauffeur te kunnen werken. De minister voor Rechtsbescherming wees de aanvraag op 5 juni 2020 af, mede op grond van meerdere justitiële gegevens in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS), waaronder strafbeschikkingen en veroordelingen gerelateerd aan overtredingen binnen de taxibranche.
De minister hanteerde de Beleidsregels VOG-NP-RP 2018, waarbij zowel een objectief criterium (risico voor de samenleving door herhaling van justitiële feiten) als een subjectief criterium (belang van de aanvrager) worden toegepast. Hoewel appellant belang had bij de VOG vanwege zijn inkomen en sociale situatie, vond de minister dat dit niet opwoog tegen het risico op herhaling, mede door een lopende proeftijd tot november 2021.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigde dit oordeel in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat ook nog niet onherroepelijke strafbeschikkingen mogen worden meegewogen en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij geen ander werk kan verrichten. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: De afwijzing van de VOG-aanvraag voor de taxichauffeurskaart wordt bevestigd wegens meerdere justitiële gegevens en lopende proeftijd.