Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.Procedure
2.Voorafgaande veroordeling
3.Vordering
- het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr op een bedrag van € 339.622,99;
- het opleggen aan de veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag van € 294.606,13 ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel, met bepaling dat de veroordeelde daarvoor hoofdelijk aansprakelijk is.
4.Standpunt van de verdediging
5.Beoordeling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
6.Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
7.Vaststelling van de betalingsverplichting
9.Maximale duur gijzeling
528dagen.
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Bijlage
10.Beslissing
€310.682,43 (zegge:
driehonderdtienduizend zeshonderdtweeëntachtig euro en drieënveertig eurocent);
tweehonderdzestigduizend zeshonderdvijfenzestig euro en zevenenvijftig eurocent) ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel, met dien verstande dat indien en voor zover de medeveroordeelde betaalt, de veroordeelde in zoverre van deze betalingsverplichting zal zijn bevrijd;
vijfhonderdachtentwintig dagen);