2.3.De burgemeester heeft met het besluit van 24 oktober 2024 een verlenging van de sluiting van de woning noodzakelijk geacht om de openbare orde te herstellen.
Waar gaat het in deze zaak om?
3. Verzoeker is het niet eens met de verlenging van de sluiting van zijn woning. Verzoeker wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat de sluiting van de woning wordt opgeheven en hij weer in zijn woning kan.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
5. Het spoedeisend belang is niet in geschil. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding hier anders over te oordelen en zal daarom deze zaak inhoudelijk beoordelen.
6. Op grond van artikel 3:3, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Rotterdam 2012 (APV) is het verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning.
Op grond van artikel 3:9a, eerste lid, van de APV kan het bevoegde bestuursorgaan een seksinrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren, indien het seksbedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning danwel een van de in artikel 3:9, tweede lid onder h, i en j, genoemde situaties zich voor doet.
7. In de Nota prostitutie en seksbranche Rotterdam 2015 (de Nota) heeft de burgemeester zijn beleid voor het sluiten van een seksinrichting in een woning neergelegd. Hieruit volgt dat in het geval een illegale seksinrichting wordt aangetroffen de woning in principe drie maanden wordt gesloten. Na de constatering van een seksinrichting wordt allereerst overgegaan tot een spoedsluiting van één maand, waarna de zienswijzeprocedure wordt opgestart. De burgemeester kan besluiten dat de woning slechts één maand gesloten blijft, wanneer de pandeigenaar met concrete maatregelen de illegale situatie heeft beëindigd. Deze sluiting kan vervolgens worden verlengd tot drie maanden, wanneer er ondanks de maatregelen van de pandeigenaar toch overlast en loop op de woning wordt geconstateerd.
8. Verzoeker betwist dat de burgemeester bevoegd was om de sluiting van de woning te verlengen met twee maanden. De burgemeester hecht ten onrechte veel waarde aan het feit dat er aanwijzingen zijn dat iemand de woning sinds de spoedsluiting heeft betreden. Verzoeker heeft namelijk zelf twee keer de stickers, die op de deur van de woning waren aangebracht ter verzegeling, weggehaald. Hij wist niet dat dit niet mocht. De burgemeester had de sloten al verwisseld bij de spoedsluiting, dus er is niemand in de woning geweest.
9. Uit de Nota blijkt dat de burgemeester in beginsel een sluiting van drie maanden oplegt, tenzij de pandeigenaar door middel van concrete maatregelen de illegale situatie heeft beëindigd. De voorzieningenrechter overweegt dat in dit geval niet is gebleken van concrete maatregelen door de pandeigenaar waardoor van een sluiting van drie maanden af zou moeten worden gezien. Bovendien heeft de burgemeester op de zitting toegelicht dat de verlenging van de woningsluiting niet enkel gebaseerd is op het feit dat de stickers zijn weggehaald, deze verlenging is ook gebaseerd op de algehele ernst van de situatie. In de woning van verzoeker zijn meermaals vrouwen aangetroffen die werkzaam waren in de prostitutie. Ook is eenmaal een vrouw aangetroffen die niet langer in de prostitutie wilde werken. Verzoeker betwist niet dat sprake was van deze feiten en van een illegale seksinrichting. De burgemeester was, gelet op het aantreffen van de illegale seksinrichting en het bepaalde in artikel 3:9a, eerste lid van de APV en de Nota, dan ook bevoegd om de sluiting van de woning te verlengen.
10. Verzoeker stelt verder dat er geen noodzaak is om de woning te sluiten nu de illegale activiteiten in de woning al sinds de spoedsluiting niet meer plaatsvinden. Ook heeft de woningsluiting inmiddels al een voldoende signaal afgegeven, omdat de buurt al gedurende de sluiting van één maand de stickers op de deur en dus de verzegeling van de woning heeft kunnen zien. Verder had de burgemeester gelijk kunnen beslissen dat de woning drie maanden gesloten moest blijven, als zij dat noodzakelijk achtte.
11. Bij de beoordeling van de noodzaak van de sluiting is de vraag aan de orde of de burgemeester met een minder ingrijpend middel had kunnen en moeten volstaan omdat het beoogde doel ook daarmee kan worden bereikt. Aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding dient te worden beoordeeld in hoeverre verlenging van de sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde.
12. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat er loop was van mannen op de woning. Er is in de woning een aantal vrouwen aangetroffen en zij hebben verklaard werkzaam te zijn in de prostitutie. Daarbij komt dat er tenminste een vrouw werkzaam was, die heeft verklaard niet langer als prostituee werkzaam te willen zijn. De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake was een ernstige situatie, zodat de burgmeester zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat een verlenging van de sluiting noodzakelijk was. Verder wordt met de sluiting een signaal afgegeven dat het geconstateerde feit onacceptabel is en wordt beoogd de bekendheid van de locatie als een locatie waar seksuele diensten worden aangeboden ongedaan te maken. De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat het door verzoeker verwijderen van de stickers gedurende de spoedsluiting afbreuk heeft gedaan aan dit signaal. Gelet op de ernst van de situatie, heeft de burgemeester het noodzakelijk mogen achten om de woning langer dan één maand te sluiten, om op die manier definitief een eind te maken aan de loop op de woning. De voorzieningenrechter acht het daarbij van belang dat de verlenging van de sluiting een pandgerichte maatregel betreft en niet gericht is op de bewoner van de woning zelf. In wat verzoeker naar voren heeft gebracht, ziet de voorzieningenrechter verder geen aanleiding om in afwijking van de Nota de sluiting van de woning te beperken. In de Nota staat immers beschreven dat de burgemeester eerst besluit tot een spoedsluiting van één maand, waarna de zienswijzeprocedure wordt doorlopen. Vervolgens kan de burgemeester de woningsluiting verlengen met twee maanden. In dit geval heeft de burgemeester de in de Nota omschreven stappen doorlopen en de voorzieningenrechter volgt verzoeker dan ook niet in zijn stelling dat de burgemeester gelijk had moeten besluiten tot een sluiting van drie maanden als zij dit noodzakelijk achtte. Ook de verwijzing naar de uitspraak van 3 maart 2023 van de rechtbank Noord-Nederlandkan verzoeker niet baten, omdat de daarin weergegeven situatie niet vergelijkbaar is met de situatie van verzoeker. In dit geval is wel sprake geweest van loop op de woning en gemelde overlast.
13. Als de burgemeester zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat verlenging van de sluiting van de woning noodzakelijk is, moet hij zich ervan vergewissen dat de duur van de sluiting evenwichtig is, ook als de duur in overeenstemming is met de duur die volgt uit een beleidsregel. De nadelige gevolgen van de sluiting moeten worden afgewogen tegen de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de burgemeester een sluiting noodzakelijk mocht vinden. Een sluiting met veel nadelige gevolgen is niet per definitie onevenwichtig.
14. Verzoeker stelt dat zijn belangen onvoldoende zijn meegewogen in het besluit. Hij heeft toegang tot zijn woning nodig omdat hij anders dakloos is. Hij had geen weet van de activiteiten in de woning. Als hij zijn woning verliest zal hij in een neerwaartse spiraal terecht komen, wat ook niet in het belang van de gemeente is. Ook kan hij zijn kind niet meer ontvangen in de woning. Het is voor verzoeker belangrijk, ook gelet op zijn begripsniveau, dat de hulpverlening hem kan blijven bereiken en dit kan het beste met een eigen woning. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een brief van Humanitas overgelegd. Ook heeft verzoeker een brief van zijn moeder, van de moeder van zijn kind en van zichzelf overgelegd waaruit blijkt dat hij de woning nodig heeft.
15. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in het standpunt dat hem niet kan worden verweten dat een bekende in zijn afwezigheid en zonder dat hij daarvan wist in zijn woning een illegale seksinrichting heeft ingericht. Verzoeker is als huurder zelf verantwoordelijk voor wat er in zijn woning gebeurt als hij zijn woning beschikbaar stelt aan een derde, ook als hij afwezig is. Hij heeft er zelf voor gekozen de woning in gebruik te geven aan een vriend. Het had op zijn weg gelegen om te controleren wat er in zijn woning gebeurde tijdens zijn afwezigheid. De verwijzing van verzoeker naar een uitspraak van 2 februari 2022 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Statekan hem daarbij niet baten, nu daar sprake is van een situatie die niet vergelijkbaar is met de situatie van verzoeker. In die zaak betrof de sluitingsduur namelijk twaalf maanden.
16. Het gevolg van een sluiting van een woning is dat de bewoner de woning moet verlaten. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. Stichting Woonstad Rotterdam heeft in dit geval al voordat de burgemeester besloot tot verlenging van de woningsluiting aangekondigd de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. De voorzieningenrechter begrijpt dat deze procedure inmiddels in gang is gezet. De in deze zaak voorliggende verlenging van de sluiting heeft daarom niet direct als gevolg dat verzoeker na de sluiting mogelijk zijn woning niet meer in kan en mogelijk op een zogenoemde zwarte lijst terecht komt, waardoor hij gedurende een aantal jaren niet in aanmerking zou komen voor een sociale huurwoning. De voorzieningenrechter begrijpt dat de gevolgen van de verlenging groot zijn voor verzoeker, die door zijn agressieprobleem niet bij zijn vriendin of moeder kan verblijven en dit probleem met de hulpverlening probeert op te lossen en probeert zijn leven op de rit te krijgen. Toch is de voorzieningenrechter van oordeel dat de verlenging van de woningsluiting niet onaanvaardbaar is. Het had immers op de weg van verzoeker gelegen om iemand niet zonder toezicht in zijn woning te laten verblijven. De omstandigheid dat de dochter van verzoeker niet meer bij hem thuis kan komen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Deze dochter woont namelijk niet in de woning van verzoeker. Het is de voorzieningenrechter verder niet gebleken dat de verlenging van de sluiting tot 25 december 2024 op zichzelf onevenredige gevolgen voor verzoeker heeft.
17. Onder deze op dit moment bekende omstandigheden heeft de burgemeester meer gewicht kunnen en mogen toekennen aan het belang van het herstel van de openbare orde en een veilig woon- en leefklimaat in de omgeving dan aan het belang van verzoeker.