De rechtbank Rotterdam behandelt een zaak over het ouderlijk gezag van een minderjarige geboren in 2018. Na eerdere aanhouding van de beslissing, heeft de man een akte van erkenning overgelegd waarop een passage staat die suggereert dat alleen de moeder het gezag uitoefent. De vrouw heeft niet gereageerd op het bericht hierover.
De rechtbank oordeelt dat deze passage in strijd is met het Besluit burgerlijke stand 1994 omdat de ambtenaar van de burgerlijke stand geen beoordeling mag geven over het gezag. Desondanks wordt het verzoek van de man om samen met de vrouw het gezag uit te oefenen toegewezen. Tevens constateert de rechtbank een kennelijke verschrijving in een eerdere beschikking, die geen invloed heeft op de beslissing.
De beschikking bepaalt dat het gezag gezamenlijk wordt uitgeoefend vanaf de datum van deze beschikking, dat dit wordt geregistreerd in het openbare gezagsregister, en dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden door een advocaat in hoger beroep worden aangevochten.