Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 24 maart 2023, met bijlagen;
- het antwoord;
- de brief van [eiser01] , met een bijlage.
Rechtbank Rotterdam
De zaak betreft een geschil tussen eiser en SHM Construction B.V. over de kwalificatie van hun arbeidsrelatie en betaling van loon en vakantiegeld. Eiser werkte sinds een bepaalde datum op basis van een arbeidsovereenkomst, maar SHM stelde dat deze was geëindigd en dat eiser als zzp'er werkte. Eiser betwist dit en vordert een verklaring voor recht dat hij werknemer is, en betaling van achterstallig vakantiegeld, loonstroken, jaaropgave en pensioenpremies.
De kantonrechter oordeelt dat een mondelinge vaststellingsovereenkomst niet rechtsgeldig is om de arbeidsovereenkomst te beëindigen, omdat dit schriftelijk moet volgens artikel 7:670b BW. Bovendien bleef eiser werken en werd hij als werknemer betaald. Zelfs als de arbeidsovereenkomst beëindigd zou zijn, kwalificeert de relatie daarna nog steeds als een arbeidsovereenkomst.
SHM heeft niet aannemelijk gemaakt dat de arbeidsovereenkomst op andere wijze is geëindigd. Daarom wordt de verklaring voor recht toegewezen dat de arbeidsrelatie voortduurt. SHM wordt veroordeeld tot betaling van vakantiegeld over juni 2021 tot mei 2022 met wettelijke verhoging en rente, en tot afgifte van loonstroken en jaaropgave. De vordering tot betaling van pensioenpremies aan eiser wordt afgewezen wegens gebrek aan grondslag.
Tot slot wordt SHM veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en is in het openbaar uitgesproken door kantonrechter Van Breevoort.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst blijft bestaan en SHM moet loon, vakantiegeld met verhoging en rente betalen, loonstroken en jaaropgave verstrekken en proceskosten vergoeden.