ECLI:NL:RBROT:2023:7742

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
25 augustus 2023
Publicatiedatum
30 augustus 2023
Zaaknummer
ROT 22/5284
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:4 AwbArt. 7:2 AwbArt. 231 GemeentewetArt. 25 AWRVerordening parkeerregulering en parkeerbelastingen 2022 gemeente Rotterdam
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen naheffingsaanslag parkeerbelasting wegens ontbreken dossierinzage

Eiser kreeg een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd door de gemeente Rotterdam. Hij verzocht om het volledige dossier op grond van artikel 7:4 Awb Pro, maar verweerder deed uitspraak op bezwaar voordat het dossier was verstrekt. Eiser stelde dat hierdoor zijn verdedigingsbelangen werden geschaad en dat er geen sprake was van parkeren omdat er direct werd in- of uitgestapt.

De rechtbank oordeelde dat verweerder niet verplicht was eiser te horen en daardoor ook niet verplicht was stukken ter inzage te leggen. Dit volgt uit artikel 25 AWR Pro en de wetsgeschiedenis. Omdat geen stukken ter inzage waren gelegd, kon eiser ook geen afschrift verkrijgen. Hiermee handelde verweerder niet in strijd met artikel 7:4 Awb Pro.

Verder bleek uit foto’s van de scanauto dat het voertuig geparkeerd stond met gesloten portieren en zonder personen in de nabijheid, waardoor het beroep op direct in- of uitstappen niet aannemelijk was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet de naheffingsaanslag in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/5284

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 augustus 2023 in de zaak tussen

[naam eiser], te [plaatsnaam], eiser,

gemachtigde: [naam 1],
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. P. van Hattem.

Procesverloop

Verweerder heeft eiser bij beschikking van 18 februari 2022 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd. De naheffingsaanslag beloopt in totaal € 69,10, bestaande uit € 2,60 aan verschuldigde parkeerbelasting en € 66,50 aan kosten naheffing (vorderingsnummer [nummer]).
Bij uitspraak op bezwaar van 28 september 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de beschikking en de aanslag ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2023. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door zijn collega, [naam 2].
De griffier heeft het Track & Trace-systeem van PostNL geraadpleegd. Bij de aangetekende verzending aan eiser van de uitnodigingsbrief voor de zitting van 17 augustus 2023, gedateerd 17 juli 2023, staat dat deze op 18 juli 2023 is bezorgd, voorzien van een handtekening voor ontvangst. Gelet hierop heeft de rechtbank vastgesteld dat de uitnodiging voor de zitting op regelmatige wijze aan het adres van eiser is aangeboden en heeft zij de zaak op zitting behandeld.

Overwegingen

1. Op 6 februari 2022 om 20:58 uur heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat de auto van eiser (kenteken [kenteken]) stond geparkeerd in de Oostervanstraat in Rotterdam zonder dat voldoende parkeerbelasting was voldaan.
2. Eiser voert aan dat hij in bezwaar het volledige dossier heeft opgevraagd bij verweerder op grond van artikel 7:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Terwijl hij nog in afwachting was van het dossier heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan. Nu eiser het dossier niet heeft ontvangen is hij in zijn verdedigingsbelangen geschaad. Daarnaast betoogt eiser dat de scanauto is langsgereden terwijl sprake was van het direct in- of uitstappen van personen, zodat geen sprake was van parkeren.
3. Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende bepalingen van belang.
3.1
Op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb, legt het bestuursorgaan het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste een week voor belanghebbenden ter inzage.
3.2
Op grond van artikel 7:4, vierde lid, van de Awb, kunnen belanghebbenden van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste de kosten afschriften verkrijgen.
3.3
Op grond van artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet, geschieden de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen met toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).
3.4
Op grond van artikel 25, eerste lid, van de AWR, wordt de belanghebbende, in afwijking van artikel 7:2 van Pro de Awb, gehoord op zijn verzoek.
3.5
Op grond van artikel 1 van Pro de Verordening parkeerregulering en parkeerbelastingen 2022 van de gemeente Rotterdam, wordt onder parkeren verstaan het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten stilstaan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen.
4. De rechtbank oordeelt als volgt.
4.1
Eiser heeft in bezwaar niet verzocht te worden gehoord. Verweerder was gelet op artikel 25, eerste lid, van de AWR, niet verplicht eiser te horen. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat wanneer er niet wordt gehoord, geen verplichting bestaat stukken ter inzage te leggen (Kamerstukken
II1990/91, 21 221, nr. 5, p. 98). Omdat verweerder geen stukken ter inzage had gelegd, kon eiser geen afschrift van die stukken verkrijgen met een beroep op artikel 7:4, vierde lid, van de Awb (zie ook de arresten van de Hoge Raad van 7 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3833 en 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1107). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dus niet in strijd gehandeld met artikel 7:4 van Pro de Awb. De beroepsgrond slaagt niet.
4.2
Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake was van onmiddellijk in- of uitstappen van personen. Op de foto’s die de scanauto van verweerder van het voertuig van eiser heeft gemaakt, is te zien dat het voertuig op een parkeerplaats stond, de portieren gesloten waren en niemand zich in de nabijheid van het voertuig bevond. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dus terecht vastgesteld dat sprake was van parkeren. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de naheffingsaanslag in stand blijft.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Tchang, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).