ECLI:NL:RBROT:2023:6550
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vaststelling WOZ-waarde van galerijflat met beperkte schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Eiser betwist de vastgestelde WOZ-waarde van zijn galerijflat, gelegen op de vierde verdieping met een gebruiksoppervlakte van 87 m², bouwjaar 1966, en stelt dat de waarde te hoog is vastgesteld op €181.000,- in plaats van €163.000,-. Verweerder heeft een taxatierapport en waardematrix overgelegd, waarin de waarde is onderbouwd met vergelijkingsobjecten uit hetzelfde flatgebouw en dezelfde wijk.
De rechtbank oordeelt dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Eiser heeft onvoldoende onderbouwing geleverd voor zijn stellingen over de staat van voorzieningen en de keuze van vergelijkingsobjecten. Het ontbreken van enkele correctiefactoren wordt met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro gepasseerd, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hierdoor benadeeld is.
Verder is vastgesteld dat de uitspraak op bezwaar ruim drie maanden te laat is gedaan, waardoor verweerder aansprakelijk is voor een immateriële schadevergoeding van €50,-. Het verzoek om vergoeding van het griffierecht wordt afgewezen, maar verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €418,50 die verband houden met het verzoek tot immateriële schadevergoeding.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de WOZ-waarde van €181.000,- per 1 januari 2020. De uitspraak is gedaan door rechter N. Boonstra op 21 juli 2023.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, met een immateriële schadevergoeding van €50,- wegens termijnoverschrijding.