ECLI:NL:RBROT:2023:1984
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde vastgesteld op €269.000 voor tussenwoning afgewezen
De zaak betreft een beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een tussenwoning op 1 januari 2020, vastgesteld op €269.000. Eiser stelde dat de waarde te hoog was en vroeg om toezending van op de zaak betrekking hebbende stukken, waaronder taxatierapporten en waarderingsfactoren. Verweerder had deze stukken niet toegezonden, wat de rechtbank in strijd met artikel 40, tweede lid, Wet WOZ achtte, waardoor het beroep gegrond werd verklaard en het bestreden besluit werd vernietigd.
Desondanks heeft de rechtbank beoordeeld of de waarde toch niet te hoog was vastgesteld. Verweerder legde een taxatierapport en een waardematrix over met vergelijkingsobjecten die qua ligging, bouwjaar en oppervlakte voldoende vergelijkbaar waren. De rechtbank vond de vergelijkingsobjecten bruikbaar en de waardering inclusief de KOUDV-factoren adequaat onderbouwd. De bezwaren van eiser over onderhoud, voorzieningen en isolatie werden niet voldoende onderbouwd geacht.
Ook de gehanteerde indexering van verkoopcijfers werd door de rechtbank als voldoende toegelicht beoordeeld. Het taxatierapport van eiser uit 2021 gaf onvoldoende inzicht in de waardebepaling. De rechtbank concludeerde dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld, waardoor de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand konden blijven.
Eiser verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, maar de rechtbank wees dit af omdat de termijn nog niet was overschreden. De rechtbank veroordeelde verweerder tot vergoeding van het griffierecht en een deel van de proceskosten van eiser, aangezien eiser slechts deels in het gelijk was gesteld.
Uitkomst: Beroep gegrond wegens niet toezenden stukken, maar WOZ-waarde van €269.000 gehandhaafd.