Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2022:1471

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 maart 2022
Publicatiedatum
1 maart 2022
Zaaknummer
ROT 20/5289
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Wet WOZArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onvoldoende inzichtelijkheid indexering verkoopcijfers bij WOZ-waarde

De rechtbank Rotterdam behandelde een geschil over de waardering van een onroerende zaak voor het belastingjaar 2020, waarbij eiser bezwaar maakte tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €281.000,-. Het centrale punt betrof de onvoldoende inzichtelijkheid van het gehanteerde indexeringspercentage van verkoopcijfers van referentieobjecten.

Eiser trok ter zitting zijn beroepsgronden over de kwaliteitsverschillen en referentieobjecten in, waardoor de discussie zich beperkte tot de transparantie van de indexering. Verweerder stelde dat de indexering inzichtelijk was gemaakt via een permanente marktanalyse en een bolletjesgrafiek, maar de rechtbank oordeelde dat deze grafiek onvoldoende informatie verschaft over de gebruikte objecten en transacties.

De rechtbank stelde dat voor inzichtelijkheid ten minste de selectiecriteria en gedetailleerde gegevens van elk referentieobject moeten worden overgelegd, zoals plaats, straatnaam, huisnummer, type transactie, woningtype, transactiedatum, prijs en WOZ-waarde. Ondanks het gebrek aan volledige transparantie zag de rechtbank geen aanwijzingen dat de indexering onjuist was, mede gelet op de marktontwikkelingen en het verschil in kubieke meterprijs.

De rechtbank passeerde het gebrek aan inzichtelijkheid met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro, omdat eiser niet in zijn belangen werd geschaad door de vastgestelde waarde. Wel werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.082,-. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard, maar verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1.082,-.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/5289

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 maart 2022 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats] , eiser,

gemachtigde: [naam gemachtigde] ,
en

de heffingsambtenaar van de Regionale Belasting Groep, verweerder,

gemachtigde: mr. E.J. Wilhelmy Damsté.

Procesverloop

Bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ), gedagtekend 29 februari 2020, heeft verweerder de waarde van de onroerende zaak [adres] te Delft (hierna: de onroerende zaak) voor het belastingjaar 2020 vastgesteld op € 281.000,-.
Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 1 september 2020 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Verweerder is na de zitting nog de mogelijkheid geboden nader te reageren. Dit heeft verweerder op 17 november 2021 schriftelijk gedaan. Eiser heeft niet nader gereageerd. Op 17 december 2021 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en is de zitting naar een meervoudige kamer verwezen. Eiser heeft aangegeven dat hier geen nadere zitting voor nodig is. Verweerder heeft niet meer gereageerd.

Overwegingen

1. Ter zitting heeft eiser de beroepsgronden over de inzichtelijkheid van de kwaliteitsverschillen en de referentieobjecten ingetrokken. Het enige punt dat ter discussie staat is de inzichtelijkheid van de indexering van de verkoopcijfers van de referentieobjecten.
2. Eiser stelt zich op het standpunt dat de indexeringspercentages onvoldoende inzichtelijk zijn gemaakt. Verweerder stelt dat de indexering inzichtelijk is. Er is door middel van de permanente marktanalyse een percentage tot stand gekomen. In de permanente marktanalyse worden alle vergelijkbare woningen uit dezelfde wijk meegewogen. Dit blijkt uit de meegestuurde bolletjesgrafiek. Dit cijfer is naar de mening van verweerder voldoende accuraat.
2.1.
De rechtbank oordeelt als volgt. Om te komen tot een inzichtelijk indexeringspercentage is het gebruik maken van de bolletjesgrafiek onvoldoende. De bolletjesgrafiek maakt namelijk niet inzichtelijk welke panden gebruikt zijn en welke verkoopprijzen daarbij horen. Het indexeringspercentage is inzichtelijk gemaakt indien tenminste worden overgelegd: de gehanteerde selectiecriteria (zoals: geografische gebied, type woning, normale commerciële transacties) en van elk van de voor de berekening van het indexeringspercentage gebruikte objecten de volgende gegevens: plaats, straatnaam, huisnummer, soort transactie, type woning, transactiedatum, transactieprijs en WOZ waarde.
2.2.
De rechtbank ziet, nu de huizenprijzen nog steeds stijgende zijn en er geen onregelmatigheden in het toegepaste indexeringspercentage te ontdekken zijn geen aanleiding om te oordelen dat die indexering niet correct is, mede gezien het verschil tussen de gemiddelde kubieke meterprijs van de vergelijkingsobjecten van € 560,- en die gehanteerd voor de onroerende zaak, zijnde € 540,-. Dit geeft verweerder een speelruimte van € 7.200,-. De rechtbank acht dan ook de indexering, mocht het opgegeven indexeringspercentage incorrect zijn, voldoende verdisconteerd in de vastgestelde waarde.
2.3.
Eiser heeft in het bezwaarschrift verzocht om het inzichtelijk maken van de indexering, onder verwijzing naar het ‘black box’ arrest van de Hoge Raad. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet de door eiser gevraagde inzichtelijkheid heeft verstrekt, zodat niet is voldaan aan artikel 40, tweede lid, van de WOZ (ECLI:NL:RBOVE:2021:1822). De rechtbank ziet hierin echter geen reden om het beroep gegrond te verklaren en de uitspraak op bezwaar te vernietigen, omdat verweerder de waarde niet te hoog heeft vastgesteld en eiser door dit gebrek thans niet meer in zijn belangen is geschaad. De rechtbank passeert het gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Wel moet het gebrek ertoe leiden dat eiser recht heeft op vergoeding van de in beroep gemaakte proceskosten. De proceskosten van eiser stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.082 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 541 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
3. Het beroep is ongegrond.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van in totaal € 1.082,- te betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzitter, en mrs. A.P. Hameete en G.C.W. van der Feltz, in aanwezigheid van mr. N.E. Moerkerken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2022.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).