ECLI:NL:RBROT:2022:8514
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens gegrond beroep op vrijstelling leerplicht op grond van richtingbezwaren
De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak waarin de verdachte werd vervolgd wegens het niet inschrijven van haar dochter op een school, in strijd met artikel 2 lid 1 van Pro de Leerplichtwet 1969.
De verdediging voerde een niet-ontvankelijkheidsverweer op basis van vermeende schending van de AVG door het Bureau Leerplicht en Voortijdig schoolverlaten (LVS) en het Openbaar Ministerie. Dit verweer werd door de rechtbank verworpen omdat geen sprake was van een onherstelbare vormfout of onrechtmatige gegevensverwerking.
Feitelijk stond vast dat de dochter van de verdachte nooit op een school was ingeschreven en thuisonderwijs kreeg. De verdachte had een beroep gedaan op vrijstelling op grond van artikel 5b Leerplichtwet 1969 wegens overwegende bezwaren tegen de richting van het onderwijs, gebaseerd op haar welbepaalde levensbeschouwing, het quietistisch salafisme.
De rechtbank oordeelde dat de bezwaren van de verdachte voldoende concreet en zwaarwegend waren en dat zij daarmee recht had op vrijstelling van de inschrijvingsplicht. De verdachte werd daarom vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.
Uitkomst: De verdachte is vrijgesproken omdat haar beroep op vrijstelling van leerplicht wegens overwegende richtingbezwaren gegrond is verklaard.