Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2022:4915

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
26 januari 2022
Publicatiedatum
20 juni 2022
Zaaknummer
ROT 19/773
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 AOWArt. 35 AOWArt. 36 AOWArt. 1 Vo 883/2004Art. 6 Vo 883/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep vrijwillige AOW-verzekering wegens ontbreken voorafgaande verplichte verzekering in Nederland

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank (SVB) waarin de aanvraag van [naam eiser] voor vrijwillige AOW-verzekering werd afgewezen. De aanvraag was gedaan omdat [naam eiser] sinds 2004 in Spanje woont en daar onder de Spaanse sociale zekerheidswetgeving viel. Eisers stelden dat op grond van artikel 6 van Pro Verordening (EG) nr. 883/2004 de Spaanse verzekeringsperioden in aanmerking genomen moeten worden om te voldoen aan de AOW-voorwaarde van een voorafgaande verplichte verzekering.

De rechtbank oordeelt dat de AOW-voorwaarde van artikel 35, eerste lid, vereist dat de aanvrager direct voorafgaand aan de vrijwillige verzekering minimaal een jaar verplicht verzekerd was onder de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving. De Spaanse verzekeringsperioden kunnen deze Nederlandse verplichting niet vervangen. De Verordening 883/2004 coördineert weliswaar sociale zekerheidsstelsels, maar harmoniseert deze niet en laat lidstaten ruimte om eigen voorwaarden te stellen, mits het EU-recht wordt gerespecteerd.

De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is omdat niet is voldaan aan de Nederlandse voorwaarde van een voorafgaande verplichte verzekering. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het vonnis is gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 26 januari 2022.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor vrijwillige AOW-verzekering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 19/773

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 januari 2022 in de zaak tussen

[naam eiser], eiser, en
[naam eiseres], eiseres (samen: eisers), te [plaatsnaam],
gemachtigde: mr. N.A. van Dijk,
en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (SVB), verweerder,

gemachtigde: mr. A.F.L.B. Metz.

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om een vrijwillige verzekering op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) ten behoeve van [naam eiser] ([naam eiser]) afgewezen.
Bij besluit van 29 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 december 2021. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld door [naam 1] en [naam 2]. Verweerder heeft zich via een videoverbinding laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. [naam eiser] woont sinds 7 april 2004 in Spanje en is sindsdien niet meer in Nederland werkzaam geweest. Vanaf 2006 was hij in Spanje werkzaam voor een aan eiseres gelieerde onderneming en was hij onderworpen aan de Spaanse sociale zekerheidswetgeving. In verband met uitzending van [naam eiser] door eiseres per 1 juli 2018 naar Panama is de aanvraag om vrijwillige verzekering gedaan.
Standpunten van partijen
2. Verweerder stelt zich onder verwijzing naar de artikelen 6, 35 en 36 van de AOW op het standpunt dat vrijwillige AOW-verzekering niet mogelijk is, omdat [naam eiser] direct voorafgaand aan 1 juli 2018 niet verplicht verzekerd was in Nederland.
3. Eisers stellen zich in de kern op het standpunt dat verweerder op grond van artikel 6 van Pro Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004) de tijdvakken van verplichte verzekering van [naam eiser] in Spanje in aanmerking moet nemen, omdat het doel van deze bepaling is om nationale (beperkende) verzekeringsvoorwaarden opzij te zetten, zodat grensoverschrijdende opbouw van en deelname aan sociale zekerheid niet worden beperkt door woonplaatsvereisten of een al dan niet voorafgaande nationale verzekeringsplicht.
Wettelijk kader
4.1.
Op grond van artikel 6, eerste lid, van de AOW is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet degene, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
Op grond van artikel 35, eerste lid, van de AOW kan de gewezen verzekerde die de aanvangsleeftijd heeft bereikt zich, zolang hij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, vrijwillig verzekeren over een periode van maximaal tien jaar, met ingang van de dag na de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd. De eerste zin is alleen van toepassing indien de gewezen verzekerde direct voorafgaande aan de periode van vrijwillige verzekering ten minste een jaar verplicht verzekerd is geweest.
Op grond van artikel 36, eerste lid, van de AOW is de gewezen verzekerde die van de vrijwillige verzekering, bedoeld in artikel 35, eerste lid, gebruik wil maken, verplicht uiterlijk een jaar na de dag, waarop de verplichte verzekering is geëindigd, een aanvraag daartoe in te dienen bij de Sociale verzekeringsbank.
4.2.
Op grond van artikel 1, eerste lid, onder t, van Vo 883/2004, worden onder “tijdvakken van verzekering” verstaan de tijdvakken van premie- of bijdragebetaling, van werkzaamheden in loondienst of van anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden, die als tijdvakken van verzekering worden omschreven of aangemerkt op grond van de wetgeving waaronder zij zijn vervuld, of geacht worden te zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken, voor zover zij door die wetgeving als gelijkgesteld met tijdvakken van verzekering zijn erkend.
Op grond van artikel 6 van Pro Vo 883/2004 houdt, tenzij in deze verordening anders bepaald, het bevoegde orgaan van een lidstaat waarvan de wetgeving:
- het verkrijgen, het behoud, de duur of het herstel van het recht op prestaties,
- de toepassing van een wetgeving, of
- de toegang tot of de ontheffing van de verplichte, vrijwillig voortgezette of vrijwillige verzekering,
afhankelijk stelt van de vervulling van tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden in loondienst, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van wonen, voor zover nodig, rekening met de overeenkomstig de wetgeving van een andere lidstaat vervulde tijdvakken van verzekering, van werkzaamheden in loondienst, van werkzaamheden anders dan in loondienst of van wonen, alsof die tijdvakken overeenkomstig de door dat orgaan toegepaste wetgeving zijn vervuld.
De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
5.1.
Gelet op het uit het verhandelde ter zitting gebleken bedrijfsbelang van eiseres als werkgever van [naam eiser] en de door haar gedragen financiële last, gaat de rechtbank ervan uit dat zij belanghebbende is bij het bestreden besluit. Ook is de rechtbank ervan uitgegaan dat het bezwaar tegen het primaire besluit mede namens eiser is gemaakt.
5.2
Niet is in geschil dat direct voorafgaand aan de aangevraagde ingangsdatum van de vrijwillige verzekering [naam eiser] niet verplicht verzekerd was op grond van de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving; hij was onderworpen aan het Spaanse sociale zekerheidsstelsel.
In geschil is of uit artikel 6 van Pro Vo 883/2004 volgt dat verweerder de Spaanse tijdvakken van verzekering van [naam eiser] geheel in aanmerking moet nemen, zodat de in artikel 35, eerste lid, van de AOW gestelde voorwaarde van een direct voorafgaande verplichte verzekering op grond van de AOW niet tegengeworpen mag worden.
5.3.
In rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, bijvoorbeeld de uitspraken van 24 oktober 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3319) en 24 augustus 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:1972), waarin onder meer verwezen is naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ligt besloten dat (thans) Vo 883/2004 de stelsels van sociale zekerheid niet harmoniseert maar coördineert. Het is aan de lidstaten om de voorwaarden te bepalen voor aansluiting bij hun stelsel van sociale zekerheid, mits het Unierecht wordt geëerbiedigd, in het bijzonder de bepalingen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (Verdrag) die betrekking hebben op het vrije verkeer van werknemers.
5.4.
Vastgesteld kan worden dat uit titel II van Vo 883/2004 (aanwijsregels) niet volgt dat op [naam eiser] de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing is. Uit artikel 14 van Pro Vo 883/2004 (vrijwillige verzekering) volgt dit ook niet. Bijlage XI, Nederland, onder 2, sub g, h en i van Vo 883/2004 wijst in de situatie van [naam eiser] evenmin op de mogelijkheid van vrijwillige verzekering op grond van de AOW.
5.5.
Voorts kan worden vastgesteld dat in de AOW het hebben van woonplaats in Nederland niet als voorwaarde voor vrijwillige verzekering is gesteld. Wel geldt op grond van artikel 35, eerste lid, van de AOW de eis dat de gewezen verzekerde direct voorafgaande aan de periode van vrijwillige verzekering ten minste een jaar verplicht verzekerd is geweest (refertejaar). Deze eis heeft niet dezelfde strekking als een aanwijsregel en doet in dit geval geen afbreuk aan bepalingen in het Verdrag, zoals ten aanzien van nationaliteit, woonplaats of het vrij verkeer van werknemers binnen de EU. Aan de eis kan niet alleen worden voldaan door ingezetenschap, maar ook door het onderworpen zijn aan de loonbelasting door in Nederland arbeid in loondienst te verrichten (artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AOW). Verder kan, naar verweerder heeft erkend, het refertejaar worden ‘gevuld’ door samentelling van Nederlandse en Spaanse tijdvakken, mits er in het refertejaar ten minste een verplichte verzekering op grond van de AOW is geweest. De eis kan ook niet los worden gezien van de eveneens in artikel 35, eerste lid, van de AOW neergelegde voorwaarde dat de duur van de vrijwillige verzekering maximaal 10 jaar kan bedragen. Dit heeft als achtergrond, naar kan worden afgeleid uit de memorie van toelichting (Tweede Kamer, 2000-2001, 27468, nr. 3) bij de Wet herziening vrijwillige verzekering AOW en ANW van 26 april 2001, dat de mogelijkheid van vrijwillige verzekering zoveel mogelijk aansluit bij het oorspronkelijke doel van een voortgezette verzekeringsmogelijkheid voor verplicht verzekerden die voor kortere duur buiten Nederland verblijven.
5.6.
Uit hetgeen hierboven is overwogen volgt dat artikel 6 van Pro Vo 883/2004 niet meebrengt dat aan de voorwaarde in artikel 35, eerste lid, van de AOW van een direct voorafgaande periode van verplichte verzekering, kan worden voldaan door enkel de Spaanse tijdvakken van verzekering van [naam eiser] in aanmerking te nemen.
6. Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, voorzitter, en mr. P. Vrolijk en mr. M. de Rijke, leden, in aanwezigheid van mr. T. Dijkhoff, griffier
.De uitspraak is in het openbaar gedaan op 26 januari 2022.
De griffier en de voorzitter zijn verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.