Uitspraak
16.7786 AKW
OVERWEGINGEN
en 23 november 2000, Elsen, C-135/99, Jurispr. blz. I-10409, punt 33).
BESLISSING
van 2016 aanspraak heeft op kinderbijslag voor zijn zoon [naam zoon];
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een Nederlandse migrerend werknemer, woonde sinds 1988 in Nederland, maar vestigde zich in 2009 in Duitsland. Na beëindiging van zijn relatie en het verkrijgen van gezag over zijn zoon keerde hij op 1 september 2016 met zijn zoon terug naar Nederland, waar hij bij zijn moeder introk, zich inschreef en een bijstandsuitkering ontving.
De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde kinderbijslag voor het vierde kwartaal van 2016 op grond van het ontbreken van een duurzame band met Nederland. De rechtbank bevestigde deze weigering, stellende dat appellant nog te kort in Nederland verbleef om van duurzaam verblijf te spreken.
In hoger beroep stelde appellant dat hij al op 1 oktober 2016 zijn gewone centrum van belangen in Nederland had en dat het recht op kinderbijslag moet worden beoordeeld aan de hand van het begrip woonplaats volgens Verordening 883/2004, niet het ingezetenschap volgens de AKW. De Svb erkende dat appellant woonplaats in Nederland had volgens Vo 883/2004, maar hield vast aan de nationale ingezetenschapseis.
De Raad oordeelde dat de nationale ingezetenschapseis een grensnorm is die buiten toepassing moet blijven omdat Vo 883/2004 de toepasselijkheid van Nederlandse wetgeving regelt op basis van woonplaats. Vrijwillige verzekering is niet mogelijk onder de AKW, waardoor de Svb de kinderbijslag ten onrechte had geweigerd. De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat appellant recht heeft op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2016.
Daarnaast werd de Svb veroordeeld in de proceskosten en het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Appellant heeft recht op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2016 omdat hij woonplaats in Nederland had.