De rechtbank Rotterdam behandelde het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over het kind, dat sinds de geboorte in een pleeggezin verblijft. De moeder heeft een belast verleden en moeite met emotie-regulatie, maar toont recente tekenen van gedragsverandering en volgt hulpverlening.
De Raad stelt dat de aanvaardbare termijn voor terugplaatsing is verstreken en pleit voor beëindiging van het gezag en benoeming van de gecertificeerde instelling tot voogd. De moeder betwist dit en benadrukt haar inzet voor verbetering en het belang van het behoud van gezag.
De kinderrechter overweegt dat de zware maatregel van gezagsbeëindiging alleen kan worden toegepast als het kind ernstig wordt bedreigd en de ouder niet binnen een aanvaardbare termijn kan veranderen. Gezien de onduidelijkheid over de effectiviteit van de hulpverlening en de mogelijkheid van een minder ingrijpende maatregel, wordt het verzoek aangehouden voor zes maanden.
De rechtbank verzoekt om een aanvullende rapportage over de therapie van de moeder, de visie van pleegzorg en de haalbaarheid van het moederschap op afstand met behoud van gezag. De beslissing tot aanhouding is op 14 oktober 2022 uitgesproken door kinderrechter T. van den Akker.