ECLI:NL:RBROT:2021:625

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
4 februari 2021
Publicatiedatum
31 januari 2021
Zaaknummer
ROT 20/2100
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.1 Bijlage Verordening woonruimtebemiddeling 2015Art. 2.3, tweede lid Bijlage Verordening woonruimtebemiddeling 2015Art. 2.5, eerste lid, aanhef en onder a Bijlage Verordening woonruimtebemiddeling 2015Art. 6:20 AwbArt. 4:17 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over weigering urgentieverklaring woonruimte wegens voorliggende voorziening

Eiser heeft een aanvraag om een urgentieverklaring voor woonruimte ingediend die door verweerder is afgewezen. Na bezwaar en beroep is gebleken dat het besluit op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd, met name over de toepassing van de voorliggende voorziening, namelijk de daklozenopvang. De rechtbank constateert dat verweerder niet heeft toegelicht op welke publiekrechtelijke regeling deze opvang is gebaseerd.

De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het dwangsombesluit gegrond is en berekent de verschuldigde dwangsom over de periode dat verweerder niet tijdig heeft beslist. Tevens wordt verweerder in de gelegenheid gesteld binnen acht weken het gebrek in het besluit op bezwaar te herstellen door nader onderzoek te verrichten naar de persoonlijke omstandigheden van eiser.

De rechtbank houdt verdere beslissing aan tot de einduitspraak, waarbij ook de dwangsom, griffierecht en proceskosten zullen worden behandeld. De tussenuitspraak is gegeven door rechter H. Bedee op 4 februari 2021 en kan samen met de einduitspraak in hoger beroep worden bestreden.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar gegrond wegens motiveringsgebrek en stelt het college in de gelegenheid het besluit te herstellen.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Zittingsplaats Dordrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/2100
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht van 4 februari 2021 in de zaak tussen

[Naam], te [Plaats], eiser,

gemachtigde: mr. A. Rodriguez Gonzalez,
en

het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis, verweerder,

gemachtigde: mr. L.J. Bel.

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om een urgentieverklaring afgewezen.
Op 20 april 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen verweerders brief van 3 april 2020 houdende een voornemen het bezwaar ongegrond te verklaren dan wel tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.
Bij besluit van 11 mei 2020 (het besluit op bezwaar) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Bij besluit van 26 juni 2020 (het dwangsombesluit) heeft verweerder bepaald dat hij geen dwangsom is verschuldigd wegens niet tijdig beslissen.
Het bezwaarschrift daartegen heeft verweerder naar de rechtbank gezonden teneinde dit in het beroep te betrekken.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Vooraf
1. Met eiser is de rechtbank van oordeel dat verweerders brief van 3 april 2020 houdende een voornemen het bezwaar ongegrond te verklaren een onduidelijke strekking heeft, omdat aan het einde ervan een beroepsclausule is opgenomen. Omdat wel is vermeld dat het gaat om een voornemen kan die brief niet als een besluit worden aangemerkt. De rechtbank vermoedt dat dit voornemen naar eiser is gezonden omdat verweerder voornemens was af te wijken van het positieve advies van de Adviescommissie bezwaarschriften (de commissie) van 28 januari 2020. Dit betekent dat de rechtbank het beroepschrift aan zal merken als een beroep wegens niet tijdig beslissen.
2. Gelet op artikel 6:20 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep van rechtswege mede gericht tegen het besluit op bezwaar. Voorts is het beroep gelet op artikel 4:19 van Pro de Awb mede gericht tegen het door eiser betwiste dwangsombesluit. Hieruit volgt dat eiser geen belang meer heeft bij zijn oorspronkelijke beroep wegens niet tijdig beslissen (vgl. ECLI:NL:CRVB:2020:237).
Niet tijdig beslissen en dwangsom
3. Het primaire besluit dateert van 2 oktober 2019 en is die dag bekendgemaakt. Gelet op artikel 7:10, eerste lid, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:8, eerste lid, van de Awb is de termijn om op bezwaar te beslissen aangevangen op 13 november 2019. Omdat verweerder zich heeft laten adviseren door de commissie gold een beslistermijn van twaalf weken, behoudens verlenging. Bij besluit van 31 januari 2020 heeft verweerder op grond van artikel 7:10, derde lid, van de Awb de beslistermijn met zes weken verlengd. Dat betekent dat verweerder uiterlijk 18 maart 2020 diende te beslissen. Eiser heeft verweerder bij brief van 19 maart 2020 in gebreke gesteld. Deze ingebrekestelling is daarom, anders dan verweerder heeft aangenomen, niet prematuur.
4. De stelling van verweerder dat de beslistermijn gedurende drie dagen opgeschort is geweest op grond van artikel 7:10, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb omdat aan eiser aanvullende vragen zijn gesteld bij brief van 19 december 2019, die zijn beantwoord op 23 december 2019, gaat niet op. Van verder uitstel omdat dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften als bedoeld in artikel 7:10, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb is geen sprake geweest, reeds omdat de verdaging als bedoeld in het derde lid eerst nadien plaatsvond, terwijl het vierde lid spreekt van verder uitstel (vgl. ECLI:NL:HR:2014:2778 en ECLI:NL:RBROT:2021:100). De rechtbank zal daarom daarlaten dat verweerder de brief van 19 december 2019 niet heeft ingebracht (vgl. ECLI:NL:RVS:2013:BY9944).
5. Hoewel verweerder ten tijde van het beroepschrift nog steeds geen beslissing op bezwaar had genomen en derhalve terecht beroep wegens niet tijdig beslissen is ingesteld, is dit beroep niet-ontvankelijk omdat hier geen belang meer bij bestaat. Verweerder heeft immers inmiddels op het bezwaar beslist en tevens het dwangsombesluit genomen dat ter toetsing voorligt (vgl. ECLI:NL:CRVB:2020:237).
6. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep tegen het dwangsombesluit gegrond. Verweerder is op grond van de eerste drie leden van artikel 4:17 van Pro de Awb een dwangsom verschuldigd te rekenen vanaf twee weken na de ontvangst van de ingebrekestelling op 19 maart 2020, dus vanaf 3 april 2020, tot en met de dag van verzending van het besluit op bezwaar op 11 mei 2020 (zie ECLI:NL:CRVB:2020:122). Dit betekent dat verweerder over 39 dagen een dwangsom is verschuldigd. Dit komt neer op een bedrag van (14 x € 23 =) € 322 + (14 x € 35 =) € 490 + (11 x € 45 =) € 495 = € 1.307. De rechtbank zal in de einduitspraak zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat verweerder
€ 1.307 aan dwangsommen aan eiser is verschuldigd.
Woningurgentie
7. In de bijlage die bij deze uitspraak hoort is het toepasselijke wettelijke kader opgenomen.
8. In de door de gemeenteraad van Hellevoetsluis vastgestelde Verordening woonruimtebemiddeling 2015 (de Verordening) zijn in paragraaf 5 van Bijlage 1 (de Bijlage) de gronden opgenomen voor het afgegeven van een urgentieverklaring. Volgens het primaire besluit is geen sprake van een noodsituatie. In zijn advies van 28 januari 2020 heeft de Adviescommissie bezwaarschriften (de commissie) overwogen dat eiser niet voldoet aan de urgentiegronden, want die hebben volgens de commissie betrekking op de situatie dat de aanvrager thans een zelfstandige woonruimte bewoont of direct voorafgaand aan een onbewoonbaar verklaren van zelfstandige woonruimte rechtmatig zelfstandige woonruimte bewoonde, terwijl eiser dakloos is. De daklozenopvang is voor hem een voorliggende voorziening. Volgens de commissie dient echter toepassing te worden gegeven aan de hardheidsclausule.
9. Bij het besluit op bezwaar heeft verweerder het bezwaar in afwijking van het advies van de commissie ongegrond verklaard. Het besluit op bezwaar dat is gericht aan de gemachtigde van eiser bevat de volgende motivering:
“Adviescommissie bezwaarschriften
Wij hebben uw bezwaarschrift voorgelegd aan de Adviescommissie bezwaarschriften. Deze commissie heeft een advies uitgebracht. Wij stemmen niet in met dit advies.
Beslissing op bezwaar
De Adviescommissie bezwaarschriften heeft het bezwaar gegrond verklaard [lees: heeft geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren]. De commissie is van mening dat de voorliggende voorziening niet passend is voor bezwaarde en vindt steun in de Wajongrapportage dat gericht is op arbeidsmogelijkheden. In deze rapportage staat dat bezwaarde beïnvloedbaar is. Drugsverslaafden en andere probleemgevallen in de daklozenopvang zouden kunnen leiden tot terugval in een niet gewenste situatie. Bezwaarde heeft zich de afgelopen jaren ontworsteld en heeft zijn leven op de rails gekregen. Bezwaarde heeft geen drugsproblematiek meer en heeft op eigen kracht zijn schulden weten af te lossen. De commissie is van mening dat de opvang van daklozen niet passend is voor bezwaarde en dat op grond van de hardheidsclausule een urgentie moet worden verleend. Wij hebben besloten dit advies niet op te volgen.
Motivering contrair besluit
In reactie op hetgeen aangegeven door de commissie heeft het college de volgende argumenten:
De opvang kent meerdere soorten opvang zo is er ook een aparte opvang voor gezinnen met kinderen en mensen die door een beperking kwetsbaar zijn. Met u is in februari contact gezocht omdat het college voor bezwaarde op 18 februari 2020 een intake gesprek heeft geregeld met mevrouw M. van Zomeren voor deze speciale opvang. Meneer zou dan gelijk een begeleider krijgen vanuit de opvang. Volgens deze procedure van de daklozenopvang zou bezwaarde via een stabiele opvang kunnen uitstromen via een woonurgentie vanuit de opvang naar een reguliere woning. Bezwaarde heeft aan u aangegeven hier geen gebruik van te willen maken. Mocht bezwaarde zich bedenken dan kan hij alsnog contact opnemen met mevrouw van Zomeren.
23 april 2020 heeft deze speciale opvang weer contact gezocht met het college en aangegeven dat er voor meneer op 25 april 2020 weer een kamer vrij was. U en tevens meneer [Naam] zijn hiervan op de hoogte gesteld.
Conclusie
Het college is voornemens [lees: is van oordeel] dat het besluit met betrekking tot het niet verlenen van woonurgentie en het niet toepassen van de hardheidsclausule op grond van een passende voorliggende voorziening op de juiste wijze is vastgesteld.”
10. In het primaire besluit is gesteld dat geen sprake is van een noodsituatie (urgentiegrond) als bedoeld in paragraaf 5 van de Verordening (lees: de Bijlage). Dit standpunt is echter niet gemotiveerd. In het bestreden besluit ontbreekt die motivering eveneens, evenals enige toetsing aan een noodsituatie.
Uit het besluit op bezwaar, gelezen is samenhang met het verslag van de hoorzitting in bezwaar, kan worden afgeleid dat verweerder zich op het standpunt stelt dat sprake is van een zeer schrijnende situatie als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Bijlage, maar dat aan de hardheidsclausule niet wordt toegekomen omdat eiser dakloos is en daarvoor een voorliggende voorziening bestaat, namelijk de daklozenopvang in de centrumgemeente Nissewaard.
11. Een voorliggende voorziening vormt een van de weigeringsgronden van artikel 2.3, tweede lid, van de Bijlage. Gelet op artikel 1.1, aanhef en onder j, van de Bijlage wordt onder voorliggende voorziening verstaan: een publiekrechtelijke regeling, anders dan de wet of deze verordening, die gezien haar aard en doel voor de desbetreffende woningzoekende toereikend en passend moet worden geacht voor het voorkomen of oplossen van zijn of haar huisvestingsprobleem. In het besluit op bezwaar is echter niet gemotiveerd op welke publiekrechtelijke regeling de in dit besluit genoemde speciale opvang zou zijn gebaseerd. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet een van de andere weigeringsgronden aan eiser heeft tegengeworpen.
12. Hieruit volgt dat het besluit op bezwaar geen stand kan houden wegens een motiveringsgebrek, zodat het beroep daartegen gegrond is.
13. Op grond van artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslecht de rechtbank het haar voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals van de zijde van verweerder ter zitting ingeval van een vernietiging is verzocht, de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar in stand te laten. Evenmin kan de rechtbank thans zelf einduitspraak doen door zelf in de zaak te voorzien. Zo is het de rechtbank opgevallen dat verweerder geen onderzoek heeft verricht naar de persoonlijke omstandigheden en mogelijkheden van eiser. Weliswaar heeft verweerder kennis genomen van een Wajong-rapport uit 2008, maar deze informatie is gedateerd, terwijl de – door verweerder niet weersproken – schriftelijke verklaring van [Naam getuige] van 13 augustus 2020 niet in enige afweging is betrokken.
14. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te (laten) herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek in het bestreden besluit binnen acht weken na verzending van deze beslissing te herstellen met inachtneming van deze tussenuitspraak. Om het gebrek te herstellen, moet verweerder onderzoek verrichten als bedoeld onder punt 13 en op basis daarvan een besluit nemen of de rechtbank anderszins berichten.
15. Als verweerder gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek in de besluitvorming te herstellen, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken schriftelijk te reageren op de wijze waarop verweerder het gebrek heeft hersteld. In beginsel zal de rechtbank vervolgens het onderzoek sluiten en zonder nadere zitting uitspraak doen. Als verweerder geen gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek in het bestreden besluit te herstellen, dient hij dit binnen twee weken na verzending van deze uitspraak schriftelijk kenbaar te maken. In dat geval zal de rechtbank het onderzoek sluiten en zonder nadere zitting uitspraak doen.
16. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dit betekent dat de rechtbank eerst in de einduitspraak in overeenstemming met wat onder 6 is overwogen uitspraak zal doen over de verschuldigde dwangsom. Voorts zal de rechtbank zich in de einduitspraak buigen over de vergoeding van het griffierecht en de veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen 8 weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak,
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Bedee, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 4 februari 2021.
De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

Bijlage

Huisvestingswet 2014
Artikel 12
1. In de huisvestingsverordening kan de gemeenteraad bepalen dat voor een of meer daarbij aangewezen categorieën woonruimte bij het verlenen van huisvestingsvergunningen voorrang wordt gegeven aan woningzoekenden waarvoor de voorziening in de behoefte aan woonruimte dringend noodzakelijk is.
2. De gemeenteraad legt, indien hij toepassing heeft gegeven aan het eerste lid, in de huisvestingsverordening de criteria vast volgens welke de woningzoekenden, bedoeld in dat lid, worden ingedeeld in urgentiecategorieën.
3. Woningzoekenden die verblijven in een voorziening voor tijdelijke opvang van personen, die in verband met problemen van relationele aard of geweld hun woonruimte hebben verlaten en woningzoekenden die mantelzorg als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 verlenen of ontvangen, behoren in ieder geval tot de woningzoekenden, bedoeld in het eerste lid.
4. Indien de gemeenteraad toepassing heeft gegeven aan het eerste lid legt hij in de huisvestingsverordening vast op welke wijze de gemeente voldoet aan de zorg voor de voorziening in de huisvesting van vergunninghouders in de gemeente overeenkomstig de voor de gemeente geldende taakstelling, behoudens in die gevallen dat burgemeester en wethouders daarin op andere wijze voorzien.
Verordening woonruimtebemiddeling 2015
Artikel 1.1 Definities
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
j. huishouden:
1. alleenstaande; of,
2. samenwonenden, zijnde twee personen die hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en blijk geven zorg te dragen voor elkaar, dan wel personen die dit willen gaan doen; of,
3. de alleenstaande of samenwonenden en de kinderen van de alleenstaande of tenminste één van de samenwonenden, voor zover die kinderen hoofdverblijf hebben in de woning van de alleenstaande of samenwonenden en de leeftijd van 27 jaar niet hebben bereikt;
4. de alleenstaande of samenwonenden en het kind van de alleenstaande of tenminste één van de samenwonenden, voor zover het kind hoofdverblijf heeft in de woning van de alleenstaande of samenwonenden, de leeftijd van 27 jaar heeft bereikt en er tussen het kind en de alleenstaande of tenminste één van de samenwonenden een zorgrelatie bestaat die tot gevolg heeft dat de zorgontvanger zonder de uit hoofde van die relatie ontvangen zorg redelijkerwijs niet in zijn of haar huidige woonsituatie kan blijven wonen;
(…)
t. urgentieverklaring: de urgentieverklaring als bedoeld in artikel 2.1 van Bijlage I zijnde de beschikking waarmee de indeling van woningzoekenden in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 12 lid 2 van Pro de wet [lees: de Huisvestingswet 2014] plaatsvindt;
(…)
Artikel 2.3.8. Voorrang voor bezitters van een urgentie- of herhuisvestingsverklaring
1. Een huishouden dat wegens een persoonlijke noodsituatie of wegens sloop of ingrijpende verbetering van zijn woonruimte een (andere) woonruimte nodig heeft en geen gebruik kan maken van een voorliggende voorziening, kan in aanmerking komen voor een urgentieverklaring, dan wel een herhuisvestingsverklaring.
2. In Bijlage I bij deze verordening is aangegeven:
a. door wie, bij wie en de wijze waarop de in het vorige lid bedoelde verklaringen kunnen worden aangevraagd,
b. door wie en de gronden waarop deze verklaringen worden verstrekt,
c. de inhoud van deze verklaringen en
d. de gevolgen die deze verklaringen hebben voor de positie op de woningmarkt van de bezitter ervan.
Bijlage I Urgentie- en herhuisvestingssysteem
Artikel 1.1. Definities
In deze Bijlage en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
(…)
j) voorliggende voorziening: een publiekrechtelijke regeling, anders dan de wet of deze verordening, die gezien haar aard en doel voor de desbetreffende woningzoekende toereikend en passend moet worden geacht voor het voorkomen of oplossen van zijn of haar huisvestingsprobleem;
(…)
Artikel 1.2. Verhouding tot artikel 12 van Pro de wet
De in paragraaf 5 van deze Bijlage opgenomen urgentiegronden betreffen de criteria als bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Huisvestingswet 2014.
Artikel 2.2. Aanvraag om een urgentieverklaring
1. Voor een urgentieverklaring komen uitsluitend in aanmerking huishoudens met een inkomen onder de inkomensgrens.
(…)
Artikel 2.3. Weigeringsgronden urgentieverklaring
1. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een herhuisvestingsverklaring.
2. Het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op een aanvraag om urgentieverklaring, weigert de urgentieverklaring indien sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:
(…)
g. het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem is ontstaan omdat aanvrager of een lid van zijn of haar huishouden geen gebruik heeft gemaakt van een voorliggende voorziening;
(…)
Artikel 2.5. Hardheidsclausule
1. Het bestuursorgaan dat belast is met het beslissen op aanvragen om een urgentieverklaring is, indien strikte toepassing van deze zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:
a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,
b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch tot een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.
(…)