ECLI:NL:RBROT:2021:5357
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.C.W. van der Feltz
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde benedenwoning en redelijke termijn in bezwaarprocedure
Eiser betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van een benedenwoning uit 1932 met een woonoppervlakte van 66 m² en een tuin van 71 m², vastgesteld op €120.000,- voor het belastingjaar 2019. Verweerder heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en een taxatierapport overgelegd ter onderbouwing van de waarde. Eiser voerde aan dat de waardestijging niet voldoende inzichtelijk was gemaakt en dat de waarde te hoog was vastgesteld.
De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende stukken heeft aangeleverd en dat het taxatierapport van verweerder, ondanks het ontbreken van een inpandige inspectie, betrouwbaar is. De vergelijkingsobjecten zijn voldoende vergelijkbaar en de lagere onderhoudstoestand van de onroerende zaak is adequaat gecompenseerd in de waardering. Daarnaast acht de rechtbank de door eiser genoemde waarde drukkende factoren subjectief en onvoldoende onderbouwd.
Verder heeft eiser een verzoek gedaan om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat door de coronamaatregelen de redelijke termijn met een half jaar is verlengd tot tweeëneenhalf jaar. Aangezien de uitspraak binnen deze termijn is gedaan, is er geen sprake van overschrijding.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de redelijke termijn is niet overschreden.