Eiser verzocht handhaving tegen de afwijkende uitvoering van 37 garageboxen die in 2013 waren vergund met donkergroene deuren en bakstenen gevels, maar feitelijk zijn uitgevoerd met witte deuren en betonnen gevels. Na afwijzing van het handhavingsverzoek en een eerdere uitspraak die de motivering van het college betrof, werd een omgevingsvergunning verleend ter legalisatie van twee garageboxen deels gesitueerd op een ander perceel.
Eiser stelde dat de vergunning in strijd was met het bestemmingsplan en dat het bouwplan niet gesplitst mocht worden. Ook was sprake van een welstandsexces volgens de welstandscommissie, wat het college niet overnam. De rechtbank oordeelde dat het college bij de vergunningverlening verwees naar een eerder vernietigd besluit en daarmee onvoldoende gemotiveerd had.
De rechtbank stelde dat het bouwplan alleen gesplitst kan worden indien de onderdelen functioneel en bouwkundig te onderscheiden zijn, en dat het college de welstandseisen onvoldoende had betrokken. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.