ECLI:NL:RBROT:2021:13560

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
11 november 2021
Publicatiedatum
20 juni 2022
Zaaknummer
ROT 20/5353
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onjuiste bekendmaking van besluit inzake kinderbijslag en proceskostenvergoeding

In deze zaak heeft eiser op 14 oktober 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb) op zijn aanvraag om kinderbijslag. De Svb heeft op 28 oktober 2020 aan de rechtbank medegedeeld dat zij op 15 september 2020 alsnog op de aanvraag heeft beslist. Eiser heeft vervolgens zijn beroep ingetrokken, maar verzocht om vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 21 december 2020 geoordeeld dat het beroep kennelijk ongegrond was en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. Eiser heeft hiertegen verzet aangetekend, wat door de rechtbank op 26 januari 2021 gegrond werd verklaard, waarna het onderzoek werd hervat.

De rechtbank heeft vastgesteld dat eiser de Svb op 3 september 2020 in gebreke heeft gesteld, waarna de Svb tijdig op de aanvraag heeft beslist. De rechtbank oordeelt dat het beroep wegens niet tijdig beslissen kennelijk niet-ontvankelijk is. Eiser heeft aangevoerd dat het besluit niet op de juiste wijze is bekendgemaakt, omdat het naar hem in plaats van naar zijn gemachtigde is gestuurd. De rechtbank erkent dat de Svb het besluit naar de gemachtigde had moeten sturen, maar concludeert dat dit gebrek niet leidt tot de conclusie dat de Svb niet tijdig heeft beslist. De rechtbank verwijst naar eerdere rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, waaruit blijkt dat een gebrekkige bekendmaking niet automatisch leidt tot dwangsommen.

Uiteindelijk wijst de rechtbank het verzoek om vergoeding van de proceskosten af, omdat er geen grond is voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Dijkhoff, griffier, en is openbaar gedaan op 11 november 2021.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/5353
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 november 2021 als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,

gemachtigde: mr. S. Karkache,
en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder,

gemachtigde: mr. L.M.J.A. Erkens-Hanssen.

Procesverloop

Op 14 oktober 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op zijn aanvraag om kinderbijslag.
Bij brief van 28 oktober 2020 heeft verweerder aan de rechtbank medegedeeld dat verweerder met het besluit van 15 september 2020 alsnog op de aanvraag van eiser heeft beslist.
Naar aanleiding hiervan heeft eiser het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Met de uitspraak van 21 december 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep kennelijk ongegrond was en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft eiser verzet aangetekend.
In de uitspraak op verzet van 26 januari 2021 heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard en bepaald dat het onderzoek wordt hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat de uitspraak van 21 december 2020 werd gedaan.
Nadat geen van partijen heeft aangegeven ter zitting te willen worden gehoord, heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.
Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
3.1.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker met zijn brief van 3 september 2020 verweerder in gebreke heeft gesteld omdat verweerder niet tijdig op zijn aanvraag om kinderbijslag heeft beslist. Verweerder heeft vervolgens op 15 september alsnog op de aanvraag van verzoeker beslist. Dat is binnen twee weken na de ingebrekestelling, dus op tijd. Dat betekent dat het beroep vanwege niet tijdig beslissen op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kennelijk niet-ontvankelijk is.
3.2.
Verzoeker voert aan dat het besluit niet op de juiste wijze is bekendgemaakt omdat verweerder het besluit naar verzoeker heeft gestuurd in plaats van naar de gemachtigde van verzoeker. Er is daarom volgens verzoeker geen sprake geweest van de werking van een besluit, zodat verzoeker genoodzaakt was om beroep aan te tekenen.
3.3
De rechtbank overweegt dat verweerder inderdaad het besluit naar verzoekers gemachtigde had moeten sturen, maar dat dit gebrek niet kan leiden tot het oordeel dat verweerder niet tijdig heeft beslist. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad), bijvoorbeeld de uitspraken van de Raad van 15 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1296), 20 maart 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:883) en 14 april 2016 (CLI:NL:CRVB:2016:1360), kan weliswaar worden afgeleid dat als gevolg van de niet juiste bekendmaking de bezwaar- of beroepstermijn in dergelijke gevallen niet is gaan lopen, maar daaruit volgt niet dat indien een bestuursorgaan een besluit heeft gegeven zonder dit tevens aan de gemachtigde te verzenden dwangsommen verschuldigd zou zijn. Er is geen reden om in dit geding tot een ander oordeel te komen. De gebrekkige bekendmaking van het besluit kan verzoeker dus niet baten. Hierbij komt bovendien dat verweerder een telefoonnotitie heeft overgelegd waarin staat dat een medewerker van het kantoor van verzoekers gemachtigde op 13 oktober 2020 heeft gebeld met verweerder en dat verweerder in dit telefoongesprek heeft meegedeeld dat reeds op de aanvraag was beslist. Hieruit volgt dat de gemachtigde van verzoeker al voor het instellen van het beroep er van op de hoogte was dat het besluit was genomen en er dus geen aanleiding meer bestond om door middel van een financiële prikkel verweerder te dwingen te beslissen.
4. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Dijkhoff, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 11 november 2021.
De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.