ECLI:NL:RBROT:2020:8106

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
17 september 2020
Publicatiedatum
15 september 2020
Zaaknummer
ROT 20/1679
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
ParticipatiewetArt. 4:2 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bewijs hoofdverblijf op uitkeringsadres

Eiser ontving tot 23 oktober 2019 een bijstandsuitkering die werd beëindigd wegens het niet melden van wijziging van zijn hoofdverblijf en het niet duurzaam gescheiden leven van zijn echtgenote. Op 7 november 2019 vroeg hij opnieuw bijstand aan, waarbij hij verklaarde op het uitkeringsadres te wonen. Verweerder bezocht het adres en constateerde een extreem laag waterverbruik en afwezigheid van levensmiddelen en huishoudelijke apparaten.

De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had gedurende de periode van 7 november tot 9 december 2019. Het extreem lage waterverbruik, slechts 1 m³ in vijf maanden, en het ontbreken van een koelkast, wasmachine en levensmiddelen, zijn volgens vaste rechtspraak indicaties dat hij niet daadwerkelijk woonde op het adres.

Eisers stellingen over een sobere leefstijl, buitenshuis eten en aanwezigheid van persoonlijke bezittingen werden onvoldoende geacht om het lage waterverbruik en de overige bevindingen te verklaren. Ook de omstandigheid dat hij vanwege de coronacrisis thuis moest blijven, was niet relevant voor de beoordelingsperiode.

Daarom oordeelde de rechtbank dat de afwijzing van de bijstandsaanvraag terecht was en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bewijs van hoofdverblijf.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 20/1679

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2020 in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,

gemachtigde: mr. M.P. de Witte,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel, verweerder,
gemachtigde: mr. D.K. van der Marel.

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) afgewezen.
Bij besluit van 25 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Na verkregen toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege wordt gelaten. De rechtbank sluit het onderzoek.

Overwegingen

1.1
Eiser heeft tot 23 oktober 2019 een bijstandsuitkering ontvangen van verweerder. Deze uitkering is beëindigd omdat eiser zijn inlichtingenplicht had geschonden door niet bij verweerder te melden dat hij niet langer zijn hoofdverblijf heeft op het adres [adres] (het uitkeringsadres) en dat hij niet duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote, [naam].
1.2
Op 7 november 2019 heeft eiser een nieuwe aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend. Op het aanvraagformulier heeft hij onder meer vermeld dat hij op het uitkeringsadres woont. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder op 28 november 2018 een huisbezoek afgelegd op het uitkeringsadres. De bevindingen tijdens het huisbezoek zijn vastgelegd in de rapportage ‘beschrijving huisbezoek’ van 3 december 2019 en op grond daarvan heeft verweerder het primaire besluit genomen.
2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres.
3. Eiser stelt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Hij stelt vrijwel geen water te verbruiken omdat hij overdag zoveel mogelijk buiten is. Eiser eet gratis in casino’s en het buurthuis en hij hoeft geen luxe leven te leiden. Daarnaast stelt eiser dat het uitkeringsadres het centrum van zijn bestaan is omdat hij daar slaapt en al zijn persoonlijke bezittingen, inclusief zijn administratie, zich daar bevinden. Daarbij komt dat hij nu, in verband met de Corona-crisis, verplicht de hele dag thuis te blijven.
4. In het geding is een besluit tot afwijzing van een bijstandsaanvraag. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, de Raad, van
17 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2855) moet een aanvrager in het algemeen feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. Het ligt daarom in beginsel op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat hij ten tijde van de te beoordelen periode, zijnde de periode van 7 november 2019 (datum melding) tot en met
9 december 2019 (datum primaire besluit), zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.
5.1
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Uit de tijdens het huisbezoek geconstateerde gegevens van de watermeter blijkt dat op het uitkeringsadres sprake was van een extreem laag waterverbruik, te weten 1 m³ in een periode van vijf maanden, terwijl een waterverbruik van 46 m³ per jaar gebruikelijk is voor een eenpersoonshuishouden. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 19 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3354), maakt een extreem laag waterverbruik het niet aannemelijk dat de betrokkene zijn hoofdverblijf in de betreffende woning heeft. De stelling van eiser dat hij een sobere leefstijl heeft, buitenshuis eet en de was in een wasserette doet, is onvoldoende om het extreem lage waterverbruik te verklaren. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 19 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3354) levert een minimaal toiletgebruik, gebaseerd op één toiletbezoek per dag, in combinatie met één douchebeurt per week een waterverbruik van 6,3 m³ per jaar op. Een verbruik van 1 m³ in een periode van ongeveer 5 maanden kan naar het oordeel van de rechtbank niet uitsluitend worden verklaard door de leefwijze van eiser.
5.2
Dat eiser in de te beoordelen periode feitelijk niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres vindt voorts steun in de overige bevindingen tijdens het huisbezoek. Er zijn in de woning geen koelkast, wasmachine of levensmiddelen aangetroffen. Ook ten aanzien hiervan geldt dat de enkele verklaring van eiser dat hij sober leeft en als gevolg van een eerdere detentieperiode zo weinig mogelijk binnen wil zijn, niet toereikend is om aannemelijk te maken dat hij woonachtig was op het uitkeringsadres. Eisers stelling dat hij in de woning slaapt en dat zijn administratie daar aanwezig is, maakt dit niet anders. Deze omstandigheden zijn op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat eiser tijdens de periode in geding zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Dit geldt eveneens voor de stelling van eiser dat hij als gevolg van de Corona-crisis verplicht is thuis te blijven. Dit is een omstandigheid die geen betrekking heeft periode in geding.
6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Verweerder heeft de aanvraag dan ook terecht afgewezen.
7 . Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van
mr. E. Huis-Grondman, griffier. De uitspraak is gedaan op 17 september 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.
De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.