ECLI:NL:RBROT:2020:8106
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bewijs hoofdverblijf op uitkeringsadres
Eiser ontving tot 23 oktober 2019 een bijstandsuitkering die werd beëindigd wegens het niet melden van wijziging van zijn hoofdverblijf en het niet duurzaam gescheiden leven van zijn echtgenote. Op 7 november 2019 vroeg hij opnieuw bijstand aan, waarbij hij verklaarde op het uitkeringsadres te wonen. Verweerder bezocht het adres en constateerde een extreem laag waterverbruik en afwezigheid van levensmiddelen en huishoudelijke apparaten.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had gedurende de periode van 7 november tot 9 december 2019. Het extreem lage waterverbruik, slechts 1 m³ in vijf maanden, en het ontbreken van een koelkast, wasmachine en levensmiddelen, zijn volgens vaste rechtspraak indicaties dat hij niet daadwerkelijk woonde op het adres.
Eisers stellingen over een sobere leefstijl, buitenshuis eten en aanwezigheid van persoonlijke bezittingen werden onvoldoende geacht om het lage waterverbruik en de overige bevindingen te verklaren. Ook de omstandigheid dat hij vanwege de coronacrisis thuis moest blijven, was niet relevant voor de beoordelingsperiode.
Daarom oordeelde de rechtbank dat de afwijzing van de bijstandsaanvraag terecht was en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bewijs van hoofdverblijf.