ECLI:NL:RBROT:2020:2402
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- M.G.L. de Vette
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij afwijzing bijstandsuitkering wegens onvoldoende hoofdverblijf
Verzoekster heeft bij verweerder een aanvraag ingediend voor een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet, met ingang van 26 augustus 2019. Verweerder wees de aanvraag aanvankelijk af wegens onvoldoende bewijs van hoofdverblijf op het opgegeven adres. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
Na een herziening van het besluit door verweerder bleef het standpunt dat er geen sprake was van gewijzigde omstandigheden die recht geven op bijstand. Verzoekster voerde aan dat zij haar woonsituatie voldoende had toegelicht en dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan, onder meer door het niet afleggen van een huisbezoek.
De voorzieningenrechter onderscheidde twee periodes: de periode van 26 augustus tot en met 12 december 2019, waarin sprake was van een herhaalde aanvraag, en de periode van 13 december 2019 tot en met 10 maart 2020, waarin een nieuwe aanvraag gold. Voor beide periodes oordeelde de voorzieningenrechter dat verweerder terecht had geoordeeld dat er geen gewijzigde feiten of omstandigheden waren die recht gaven op bijstand. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.