Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.De procedure
- de dagvaarding van 14 november 2013;
- de akte overlegging producties van DGL;
- de incidentele conclusie strekkende tot onbevoegdverklaring ex artikel 1022 Rv Pro en voorwaardelijke incidentele conclusie strekkende tot oproeping in vrijwaring ex artikel 210 Rv Pro, tevens verzoek tot openstellen hoger beroep ex artikel 337 lid 2 Rv Pro van Kone, met producties;
- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid, tevens voorwaardelijke incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van Otis, met producties;
- de incidentele conclusie van antwoord tot bevoegdverklaring tevens tot afwijzing verzoek tot openstellen hoger beroep ex artikel 337 lid 2 Rv Pro van DGL;
- het proces-verbaal van de zitting voor het houden van pleidooien van 30 oktober 2014, alsmede de bij die gelegenheid overgelegde pleitaantekeningen van DGL;
- de akte houdende afstand van instantie tevens houdende akte van eisvermindering van DGL;
- de antwoordakte van Kone;
- de antwoordakte van Otis;
- het incidentele tussenvonnis van 10 februari 2016 in het bevoegdheidsincident, waarin aan (de overgebleven) partijen gelegenheid is gegeven zich bij akte uit te laten over de vraag of, en zo ja, op welke wijze het arrest van het Hof van Justitie van 21 mei 2015 in de zaak met het zaaknummer C-352/13 de door hen in het bevoegdheidsincident ingenomen standpunten beïnvloedt;
- de akte na tussenvonnis van DGL;
- de akte van Kone;
- de akte van Otis;
- het incidentele vonnis van 25 mei 2016 waarbij de vordering dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart wordt afgewezen en de vordering van Kone en Otis om de (oorspronkelijke) medegedaagden in vrijwaring te mogen oproepen wordt toegewezen;
- de conclusie van antwoord van Kone, met producties;
- de conclusie van antwoord van Otis, met producties;
- de conclusie van repliek, tevens akte vermindering van eis van DGL, met producties;
- de akte vermindering van eis van DGL;
- de conclusie van dupliek van Kone, met producties;
- de conclusie van dupliek van Otis, met producties;
- de bij B-formulier door DGL ingediende akte, met productie;
- de brief van de rechtbank van 9 oktober 2018 met een zittingsagenda voor de op 12 oktober 2018 te houden zitting voor het houden van pleidooien, alsmede een brief van Otis, mede namens Kone, van 10 oktober 2018 met een voorstel voor wijziging van die agenda;
- de akte houdende overlegging aanvullende productie ten behoeve van pleidooi van Kone;
- de akte houdende overlegging aanvullende productie ten behoeve van pleidooi van Otis;
- het proces-verbaal van de op 12 oktober 2018 gehouden zitting voor het houden van pleidooien en de ter gelegenheid daarvan door DGL, Kone en Otis overgelegde pleitnota's, alsmede de brief van DGL van 23 november 2018 en de brieven van Kone van 23 en 30 november 2018, met een reactie op het buiten hun aanwezigheid opgemaakte proces-verbaal;
- de akte uitlating arrest EWD-zaak van DGL;
- de akte houdende overlegging en uitlating productie van Kone;
- de akte uitlating arrest hof Arnhem-Leeuwarden van 5 februari 2019 (EWD-zaak) van Otis.
2.De feiten
de factocompensation.
service and repairagreements for elevators and escalators, the project allocation procedure was as follows: the party that had a specific interest in a project normally took the initiative to discuss the project. This party was usually the current service provider. The discussions either took place during a meeting of the Big 5 or during telephone calls. During the discussions, the parties exchanged their proposed bidding prices in order to determine the lowest bid.
The Netherlands:As demonstrated in Section 12 of the this Decision, and acknowledged by KONE, Mitsubishi, Otis, Schindler and TKL, from June 1 1999 (in the case of Otis and ThyssenKrupp from April 15 1998 and in the case of Mitsubishi from January 11 2000) until March 5 2004 they:
In the Netherlands:As was demonstrated throughout Section 12, KONE, Mitsubishi, Otis, Schindler and ThyssenKrupp had a joint intention to allocate projects for new elevators and escalators and for service and modernization contracts. During the infringement, the meeting participants were employees at high managerial level with responsibility over both elevator and escalator business. The parties adhered to a common plan to limit their individual commercial conduct with respect to their bidding behaviour for tenders for new elevators and escalators, as well as for maintenance and modernisation contracts, with a view to eliminating competition between them. These complex, collusive arrangements constitute one single and continuous infringement.
3.Het geschil
4.De beoordeling
inleidende overwegingen
succeeded in manipulating the market price". Nederland is daarbij niet als uitzondering genoemd - hetgeen op andere plaatsen wel is gebeurd - waardoor er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de Commissie deze overweging niet ook voor Nederland heeft willen doen gelden.
verminderd met de plicht tot bijdragen van Schindler, Mitsubishi en ThyssenKrupp - uit welken hoofde dan ook - in de onderlinge verhouding tot Kone en Otis", als weergegeven in 3.1 onder A., B. en C. Op het eerste gezicht is niet duidelijk waar een hoofdelijke aansprakelijkheid van Kone en Otis, verminderd met de bijdrageplicht van de andere Kartellisten toe moet leiden, nu:
5.De beslissing
21 augustus 2019voor het nemen van een conclusie na tussenvonnis door DGL over hetgeen is vermeld onder 4.45, 4.50 en 4.52, waarna Kone en Otis op de rol van twaalf weken daarna een antwoordconclusie na tussenvonnis kunnen nemen;