ECLI:NL:RBROT:2019:4271
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete wegens schending inlichtingenplicht Participatiewet bevestigd
Eiseres ontvangt sinds 2008 een bijstandsuitkering en werd in 2018 een bestuurlijke boete opgelegd wegens het niet volledig melden van relevante feiten, zoals transacties met motorvoertuigen en kasstortingen op haar bankrekeningen. Verweerder stelde dat de kostendelersnorm vanaf augustus 2016 van toepassing was, wat gevolgen had voor de uitkering.
Eiseres voerde aan dat haar gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal de schending van de inlichtingenplicht minder verwijtbaar maakte en dat verweerder geen rekening had gehouden met haar draagkracht. Ook stelde zij dat er dringende redenen waren om van de boete af te zien vanwege de impact op haar levensvreugde.
De rechtbank oordeelde dat de taalbarrière geen vermindering van verwijtbaarheid oplevert en dat eiseres de stortingen als inkomsten had moeten melden. De gemaximeerde boete werd als evenredig beschouwd en de financiële omstandigheden van eiseres waren meegenomen. De enkele impact op levensvreugde vormde geen dringende reden om af te zien van de boete.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de bestuurlijke boete wegens schending van de inlichtingenplicht wordt ongegrond verklaard.