ECLI:NL:RBROT:2019:1184
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens vermeend niet-wonen op adres niet gerechtvaardigd
Eiseres ontving een bijstandsuitkering als alleenstaande en woonde sinds 2010 op een adres in Rotterdam. Verweerder ontving een signaal dat eiseres niet meer in Rotterdam woonde en schreef haar met terugwerkende kracht uit de BRP uit per 2 oktober 2017. Vervolgens werd haar uitkering opgeschort en ingetrokken en werd een bedrag teruggevorderd. Eiseres maakte bezwaar, maar dit werd deels niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en deels ongegrond.
De rechtbank oordeelde dat het primaire besluit op juiste wijze was bekendgemaakt en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. Echter, eiseres leverde bewijs aan in de vorm van bankafschriften en verklaringen van buren dat zij tot eind december 2017 op het adres verbleef. Verweerder slaagde er niet in deze stukken te ontzenuwen. De uitschrijving uit de BRP was slechts een aanwijzing, geen sluitend bewijs.
Daarom was de intrekking van de bijstandsuitkering onterecht en de terugvordering onjuist. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het het primaire besluit 2 handhaafde, verklaarde het bezwaar gegrond, herroept het besluit en veroordeelde verweerder tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het intrekkingsbesluit en terugvordering worden vernietigd.