ECLI:NL:RBROT:2018:7276
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen sluiting woning wegens aantreffen handelshoeveelheid cocaïne
Op 2 juni 2018 werd in een woning te Rotterdam na een steekincident een handelshoeveelheid cocaïne aangetroffen, namelijk 0,5 gram in de woning en 998,2 gram in de kelder. De burgemeester legde op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang op tot sluiting van de woning voor zes maanden. Verzoekster, de huurder, maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om de sluiting te voorkomen.
De voorzieningenrechter overwoog dat de burgemeester beleidsvrijheid heeft bij het opleggen van een sluiting, waarbij een eerste overtreding in beginsel een waarschuwing rechtvaardigt, maar ernstige omstandigheden afwijking kunnen rechtvaardigen. De aangetroffen hoeveelheid cocaïne overschreed ruimschoots de grens voor eigen gebruik, waardoor sprake was van een handelshoeveelheid. Tevens speelde de negatieve veiligheidsindex van de wijk Delfshaven en het verband met een recent steekincident vermoedelijk gerelateerd aan drugs.
Verzoekster voerde aan dat zij en haar kinderen afhankelijk zijn van de woning en dat zij geen alternatieve opvangmogelijkheden hebben, maar dit werd onvoldoende aannemelijk geacht. Ook het feit dat de huurovereenkomst per 1 oktober 2018 eindigt en dat de woning tot 28 september beschikbaar is om een nieuwe woning te zoeken, woog mee. De voorzieningenrechter concludeerde dat de belangenafweging in het voordeel van de burgemeester uitvalt en dat het verzoek om voorlopige voorziening moet worden afgewezen.
De uitspraak is gedaan op 3 september 2018 door de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam, waarbij geen rechtsmiddel openstaat tegen deze beslissing.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de sluiting van de woning wegens aantreffen van cocaïne wordt afgewezen.