ECLI:NL:RBROT:2018:5379
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Onroerende-zaakbelasting wooncomplex voor ouderen: gezamenlijke woonkamers geen woning
De rechtbank Rotterdam behandelde het geschil over het toepasselijke tarief voor de onroerende-zaakbelasting (ozb) van een wooncomplex voor ouderen. De waarde van de onroerende zaak stond niet ter discussie, maar de vraag was of de gezamenlijke woonkamers als woning konden worden aangemerkt zodat het woningtarief zou gelden.
Het wooncomplex bestaat uit afgesloten appartementen voor dementerende ouderen en gemeenschappelijke woonkamers met een verzorgings- en toezichtfunctie. De rechtbank concludeerde dat de gezamenlijke woonkamers niet dezelfde functie vervullen als een woning, omdat zij een sociale en verzorgende rol hebben en niet dienen als privéverblijf waar een huishouden wordt gevoerd.
De rechtbank stelde dat de bewijslast bij de gemeente lag om aan te tonen dat de gezamenlijke woonkamers niet als woning kwalificeren, wat werd aangenomen. Jurisprudentie van de Hoge Raad en de Taxatiewijzer verzorging ondersteunen deze interpretatie. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard en het niet-woningtarief blijft van toepassing.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het niet-woningtarief voor de onroerende-zaakbelasting.