ECLI:NL:RBROT:2018:3966

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 mei 2018
Publicatiedatum
22 mei 2018
Zaaknummer
ROT 16/4077
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Postwet 2009Art. 6:19 AwbArt. 10 WobArt. 12v Instellingswet ACMArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling openbaarmaking besluiten ACM inzake lastoplegging PostNL

De Autoriteit Consument en Markt (ACM) legde PostNL een last onder dwangsom op wegens overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Postwet 2009. ACM besloot tot openbaarmaking van een geschoonde versie van dit besluit en later ook van de beslissing op bezwaar. PostNL stelde beroep in tegen deze openbaarmaking.

De rechtbank oordeelde dat ACM bevoegd was niet alleen het primaire besluit tot openbaarmaking te heroverwegen, maar ook de beslissing op bezwaar openbaar te maken in één brief. Dit bevordert proceseconomie en concentratie van geschillen. De rechtbank stelde vast dat tegen de openbaarmaking van de beslissing op bezwaar beroep openstaat in plaats van bezwaar.

De rechtbank vond dat ACM de besluiten rechtmatig had genomen en dat de openbaarmaking niet in strijd was met de onschuldpresumptie of andere belangen. Het beroep van PostNL werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van PostNL tegen de openbaarmaking van besluiten door ACM wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1
zaaknummer: ROT 16/4077

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 mei 2018 in de zaak tussen

Koninklijke PostNL B.V. (PostNL), te Den Haag, eiseres,

gemachtigden: mr. M.J. Geus, mr. drs. D.P. Kuipers en mr. drs. P.M. Waszink,
en

de Autoriteit Consument en Markt (ACM), verweerster,

gemachtigden: mr. W.T. Algera, mr. O.E.S. Dusée, mr. A. Mearadji en mr. R. Timmermans.

Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2015 heeft ACM PostNL een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Postwet 2009. De last is gericht op het op non-discriminatoire wijze transparant en kenbaar maken van de tarieven en voorwaarden die zijn opgenomen in de Interne Tarieven Brochure 2015 (ITB) aan postvervoerbedrijven.
Bij besluit van 5 november 2015 (het primaire besluit) heeft ACM besloten tot openbaarmaking van een geschoonde versie van het besluit van 16 oktober 2015.
Bij besluit van 26 april 2016 heeft ACM de bezwaren van PostNL tegen het besluit van 16 oktober 2015 ongegrond verklaard, met uitzondering van het bezwaar ten aanzien van de dienst Teaser en Reminder. ACM heeft onderdeel I van de last voor zover dit ziet op het bekendmaken van de speciale voorwaarden en tarieven van de dienst Teaser en Reminder herroepen en het besluit van 16 oktober 2015 voor het overige gehandhaafd.
Bij besluit van 20 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft ACM het bezwaar van PostNL tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Voorts heeft ACM bij het bestreden besluit besloten tot openbaarmaking van een geschoonde versie van het besluit van 26 april 2016.
Bij brief van 7 november 2016 heeft ACM een verweerschrift ingediend.
Een enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft op 30 maart 2017 tijdens een regiezitting met partijen afspraken gemaakt over het te volgen tijdpad in deze en andere zaken van PostNL. Tijdens die regiezitting is door ACM aangekondigd dat de lastoplegging wellicht opnieuw zal worden heroverwogen en dat wellicht ook het bestreden besluit zal worden vervangen door een nieuw besluit. Tijdens die zitting heeft ACM aangekondigd te zullen wachten met de daadwerkelijke publicatie totdat door de rechtbank uitspraak is gedaan in de hoofdzaak.
Bij brief van 15 juni 2017 heeft ACM bericht dat zij geen nieuwe besluiten zal nemen met betrekking tot de lastoplegging in verband met de ITB.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Voorts zijn verschenen [naam], werkzaam bij PostNL, drs. P.J. Hoogendoorn en ir. G.C. Boogert, beiden werkzaam bij ACM.

Overwegingen

1. Artikel 12v van de Autoriteit Consument en Markt (de Instellingswet) luidt:
“ 1. De Autoriteit Consument en Markt maakt een door haar genomen beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie of een bindende aanwijzing openbaar indien voor de desbetreffende overtreding bij wettelijk voorschrift is bepaald dat een bestuurlijke boete kan worden opgelegd van ten hoogste 10% van de omzet van de overtreder en met dien verstande dat:
a. gegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onderdeel c, van de Wet openbaarheid van bestuur niet openbaar worden gemaakt;
b. namen van betrokken natuurlijke personen niet openbaar worden gemaakt, indien het belang van openbaarmaking naar het oordeel van de Autoriteit Consument en Markt niet opweegt tegen het belang, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel e of g, van de Wet openbaarheid van bestuur;
c. de naam van de overtredende marktorganisatie altijd openbaar wordt gemaakt, ook indien de naam van een natuurlijke persoon van die naam deel uitmaakt.
2. Artikel 12u, tweede tot en met vierde lid, zijn van toepassing.
3. Het eerste lid is mede van toepassing op een door de Autoriteit Consument en Markt genomen beslissing op bezwaar strekkend tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie of bindende aanwijzing. Artikel 12u, tweede tot en met vierde lid, is van toepassing.”
2. Anders dan PostNL heeft betoogd, heeft ACM met het bestreden besluit niet alleen het primaire besluit tot openbaarmaking van het besluit van 16 oktober 2015 tot lastoplegging kunnen heroverwegen, maar voorts een deelbeslissing kunnen nemen tot openbaarmaking van de beslissing op bezwaar van 26 april 2016 over de lastoplegging en beide deelbeslissingen op kunnen nemen in één brief. Met het oog op de proceseconomie en de concentratie van de afdoening van geschillen, welke motieven ook aan artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht ten grondslag liggen, is de rechtbank van oordeel dat het besluit tot publicatie van een beslissing op bezwaar, die de heroverweging van een sanctie betreft, zelf ook een voor beroep vatbare beslissing is (zie ook het procedureverloop in CBb 8 november 2016, ECLI:NL:CBB:2016:336). De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de tekst en strekking van artikel 12v, derde lid, van de Instellingswet niet tot de lezing van PostNL dwingen dat eerst bezwaar moet worden gemaakt tegen een besluit tot openbaarmaking van een beslissing op bezwaar tegen een sanctie, alvorens beroep kan worden ingesteld. Tegen de beslissing tot openbaarmaking van het besluit op het bezwaar tegen de sanctieoplegging stond daarom beroep open in plaats van bezwaar.
3. Bij uitspraak van heden in de zaak ROT 16/3740 heeft de rechtbank het beroep van PostNL tegen het besluit van 26 april 2016 ongegrond verklaard. Nu het primaire sanctiebesluit in essentie rechtmatig is geoordeeld en ook de heroverweging daarvan rechtmatig is geoordeeld staat gelet op artikel 12v, eerste en derde lid, van de Instellingswet vast dat ACM gehouden was die besluiten te publiceren.
4. De rechtbank stelt vast dat ACM bij besluit 1 en bestreden besluit 3 toepassing heeft gegeven aan artikel 12v, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Instellingswet. Dit blijkt allereerst uit het schonen van de besluiten van gegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Verder blijkt dat uit het, met toepassing van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob, niet opnemen van de namen van betrokken natuurlijke personen (met uitzondering van advocaten en geraadpleegde deskundigen).
5. Met ACM is de rechtbank van oordeel dat het enkele bestaan van het ITB niet als concurrentiegevoelige informatie moet worden aangemerkt en dat de dienst Teaser en Reminder niet hoeft te worden weggelakt om de enkele reden dat voor die dienst het bezwaar tegen de lastoplegging heeft geleid tot een herroeping. Evenmin is naar het oordeel van de rechtbank de openbaarmaking van de mededeling in het besluit van 26 april 2016 dat bij het onderzoek een cautie is verstrekt, onrechtmatig. De enkele openbaarmaking dat die mededeling is gedaan, levert geen strijd op met de in artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden besloten liggende onschuldpresumptie. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het geven van een cautie in het kader van een onderzoek naar een mogelijke overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Postwet 2009 nog niet betekent dat een criminal charge is aangevangen en evenmin dat PostNL een beboetbare overtreding heeft begaan.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Brugman, voorzitter, en mr. J.H. de Wildt en
mr. Y.E. de Muynck, leden, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2018.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.