ECLI:NL:RBROT:2018:1822
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Herziening bijstandsuitkering wegens eenmalige stortingen als inkomen
Eiseres ontvangt sinds 2013 een bijstandsuitkering. Verweerder heeft haar recht op bijstand over de periode augustus tot en met november 2016 herzien en een bedrag teruggevorderd vanwege stortingen op haar bankrekening die als inkomen werden aangemerkt.
Verweerder handhaafde dat stortingen, behalve drie in september 2016, als inkomen in de zin van artikel 32 van Pro de Participatiewet moesten worden beschouwd. Na bezwaar en beroep erkende verweerder dat de terugvordering niet correct was vastgesteld en beperkte hij de herzieningsperiode tot augustus, oktober en november 2016, met een aangepast bedrag.
Eiseres betwistte een storting van €300,- van haar dochter als inkomen, stellende dat het geld tijdelijk in bewaring was gegeven. De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat dit geen inkomen was, mede vanwege tegenstrijdige verklaringen.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor wat betreft de herzieningsperiode, het teruggevorderde bedrag en de kostenvergoeding, en stelde deze zelf vast. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de terugvordering en kostenvergoeding vastgesteld.