ECLI:NL:RBROT:2017:7741
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- E. Lunenberg
- A.I. van Strien
- A.M.E.A. Neuwahl
- Rechtspraak.nl
Beoordeling medeterugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
De rechtbank Rotterdam heeft op 13 oktober 2017 uitspraak gedaan in de zaak waarin eiser bezwaar maakte tegen de medeterugvordering van bijstand die aan zijn ex-partner was verstrekt. Verweerder had vastgesteld dat eiser en zijn ex-partner sinds 25 september 2015 een gezamenlijke huishouding voerden, wat eiser betwistte. De rechtbank nam de eerdere overwegingen van een eerdere uitspraak over en concludeerde dat er voldoende feitelijke grondslag was voor het oordeel dat sprake was van een gezamenlijke huishouding.
Eiser voerde aan dat er geen sprake was van financiële verstrengeling of wederzijdse zorg en dat hij geen inzicht had gegeven in zijn financiële positie. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende inzicht had gegeven en dat verweerder terecht de medeterugvordering had opgelegd op grond van artikel 59, tweede lid, van de Participatiewet. Tevens was eiser hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugvordering.
De rechtbank verwierp het beroep van eiser en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de medeterugvordering van bijstand wordt bevestigd.