ECLI:NL:RBROT:2017:7157
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen inreisverbod gegrond en intrekking verblijfsvergunning asiel ongegrond
Eiser, een Somalische nationaliteit, kreeg een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige asielzoeker en later een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Verweerder trok deze vergunning met terugwerkende kracht in en legde een inreisverbod van vijf jaar op. Eiser stelde beroep in tegen beide besluiten.
De rechtbank oordeelde dat het inreisverbod onterecht was opgelegd zonder toetsing aan het unierechtelijke openbare ordecriterium zoals vereist door het arrest Z.Zh. en I.O. Daarom werd het beroep tegen het inreisverbod gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Ten aanzien van de intrekking van de verblijfsvergunning oordeelde de rechtbank dat de Kwalificatierichtlijn niet van toepassing was, omdat de vergunning niet was verleend op grond van een vluchtelingen- of subsidiaire beschermingsstatus.
Verder stelde de rechtbank vast dat verweerder voldoende had gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Mogadishu geen reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro faalde, omdat eiser onvoldoende aantoonde dat hij een beschermd familie- of gezinsleven in Nederland had. Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning werd daarom ongegrond verklaard.
Tot slot werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser ten bedrage van €990,-. De uitspraak werd gedaan door rechter Wilbers-Taselaar op 19 september 2017.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wordt ongegrond verklaard.