De Vereniging van Reizigers klaagde bij ACM over vermeend misbruik van economische machtspositie door KLM en SLM op de vliegroute Amsterdam-Paramaribo, met name over excessief hoge tarieven en slechte service. Na eerdere procedures en een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) die ACM opdroeg nader onderzoek te doen, heeft ACM een uitgebreid onderzoek uitgevoerd over de periode vanaf mei 2006.
Uit het onderzoek bleek dat KLM en SLM geen excessieve tarieven hanteerden en dat de markt beperkt en seizoensgebonden is, met weinig ruimte voor winstgevende toetreding van nieuwe maatschappijen. ACM concludeerde dat er geen sprake was van misbruik van machtspositie. De rechtbank oordeelde dat ACM voldoende onderzoek had verricht en dat de bevindingen onderbouwd waren.
De rechtbank verwierp de stellingen van eiseres over onrechtmatigheden in het besluit, zoals het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule en het verzoek tot openbaarmaking van vertrouwelijke gegevens. Ook achtte de rechtbank de aangevoerde verklaringen en rapporten onvoldoende om het onderzoek te weerleggen. De rechtbank bevestigde dat ACM terecht afzag van beantwoording van de vraag of sprake was van een machtspositie, omdat geen aanwijzingen voor misbruik waren gevonden.
Het beroep van de Vereniging van Reizigers werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit van ACM bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.