De rechtbank Rotterdam behandelde het beroep van eiser tegen een door de Autoriteit Consument & Markt (ACM) opgelegde boete wegens overtreding van het kartelverbod van artikel 6, eerste lid, van de Mededingingswet. ACM stelde dat eiser betrokken was bij een kartel van handelaren actief op executieveilingen tussen 2000 en 2009, waarbij prijsafspraken werden gemaakt om de prijs kunstmatig laag te houden.
Het bewijs bestond uit een clementieverklaring, verklaringen van handelaren, handgeschreven aantekeningen, inzetlijsten, bankafschriften en andere documenten die samen een complex van gedragingen vormden. De rechtbank oordeelde dat deze gedragingen samen één enkele complexe inbreuk vormden met een mededingingsbeperkende strekking, waarbij eiser betrokken was bij 588 woningen, waaronder 127 naveilingen.
De rechtbank bevestigde dat ACM bevoegd was tot het opleggen van de boete en dat de gehanteerde boetesystematiek passend was. Hoewel de basisboete berekend werd op €255.475,--, matigde ACM de boete tot €5.000,-- vanwege de financiële positie van eiser. De rechtbank achtte deze boete passend en wees het beroep tegen de hoogte van de boete deels toe, maar verklaarde het beroep tegen het primaire besluit en het wijzigingsbesluit verder ongegrond.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige bewijsvoering bij kartelonderzoeken en de proportionaliteit bij het opleggen van bestuurlijke boetes, waarbij ook rekening wordt gehouden met de draagkracht van de overtreder.