ECLI:NL:RBROT:2007:BC1136
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid burgerlijke rechter bij geschil over kerkelijke rechtsgang en arbeidsovereenkomst
In deze zaak staat de bevoegdheid van de burgerlijke rechter centraal, in een geschil tussen eiser en een kerkgenootschap waarbinnen eiser lid was en een kerkelijke rechtsgang heeft gevolgd. Eiser werd door de Congregatie uit haar gelederen gezet via een decreet dat door de Heilige Stoel werd bekrachtigd, waarna hij diverse procedures binnen het kerkelijk recht doorliep zonder succes.
Eiser vordert onder meer de erkenning van een arbeidsovereenkomst met de Provincie, herstel van deze overeenkomst en schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. Gedaagden betwisten de arbeidsovereenkomst en beroepen zich op de bestuurlijke autonomie van kerkgenootschappen en het eigen kerkelijk recht, stellende dat de burgerlijke rechter onbevoegd is.
De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 112 Grondwet Pro en vaste jurisprudentie de grondslag van de vordering bepalend is voor de bevoegdheid van de burgerlijke rechter. Er is geen wettelijke uitzondering voor geschillen met kerkgenootschappen. Wel dient rekening gehouden te worden met de kerkelijke rechtsgang, waarbij niet-ontvankelijkheid kan volgen als deze niet is gevolgd zonder zwaarwegende omstandigheden.
Aangezien eiser de kerkelijke rechtsgang heeft doorlopen en zwaarwegende omstandigheden aanvoert, waaronder schending van beginselen van behoorlijke procesorde, wijst de kantonrechter het verzoek tot onmiddellijke niet-ontvankelijkverklaring af en verklaart zich bevoegd. De zaak wordt verwezen naar de inhoudelijke behandeling. De beslissing over proceskosten wordt gereserveerd.
Uitkomst: De kantonrechter verklaart zich bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van eiser en wijst het verzoek tot onmiddellijke niet-ontvankelijkverklaring af.