ECLI:NL:RBROT:2006:AX1517
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E.F.C. Francken
- Rechtspraak.nl
Eigendom en kwalificatie van steigers in Vlaardingse vaart voor WOZ-aanslag
De zaak betreft een geschil over de eigendom en waardering van steigers in de Vlaardingse vaart, die gebruikt worden door een watersportvereniging en een watersportbedrijf. Eiser betwistte de aanslag onroerende-zaakbelasting (WOZ) op deze steigers en stelde dat hij niet de eigenaar is van de steigers, die volgens hem als bestanddeel van de kade aan een ander toebehoren door horizontale natrekking.
De rechtbank beoordeelde of de steigers als bestanddeel van de kade konden worden beschouwd en concludeerde dat dit niet het geval is, omdat de steigers niet zodanig met de kade verbonden zijn dat ze niet zonder beschadiging kunnen worden afgescheiden. Vervolgens onderzocht de rechtbank of de steigers als kunstwerken in de zin van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten WOZ konden worden aangemerkt. De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Hoge Raad en oordeelde dat de steigers geen kunstwerken zijn omdat zij niet dienstbaar zijn aan het verkeer over de openbare waterweg, maar slechts aan de leden van de watersportvereniging.
Daarmee bleef de aanslag onroerende-zaakbelasting in stand en werd het beroep van eiser ongegrond verklaard. De rechtbank sprak geen proceskostenveroordeling uit.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat eiser eigenaar is van de steigers die geen kunstwerken zijn, waardoor de WOZ-aanslag terecht is opgelegd.