ECLI:NL:RBOVE:2026:850

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
AK_25_1145
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Eerste Protocol EVRMArtikel 21.1 aanhef en onder a van de planregels van het bestemmingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen last onder dwangsom voor strijdig gebruik woonperceel

Eiser exploiteert een grondverzetbedrijf en gebruikt en slaat voertuigen en werktuigen op zijn woonperceel op, wat volgens het college in strijd is met de woonbestemming van het perceel. Na een verzoek van een buurman legde het college een last onder dwangsom op, die eiser betwistte.

De rechtbank oordeelt dat het gebruik en de opslag van de grote en professionele werktuigen een ruimtelijke uitstraling hebben die niet verenigbaar is met de woonbestemming. Het beroep van eiser dat het gebruik hobbymatig zou zijn en past binnen de woonfunctie wordt verworpen. Ook is de last onder dwangsom voldoende concreet geformuleerd en is er geen sprake van schending van het eigendomsrecht of het gelijkheidsbeginsel.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor het college handhavend mocht optreden en de last onder dwangsom in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de last onder dwangsom wordt ongegrond verklaard en de last blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1145

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats],

hierna: [eiser]
(gemachtigde: mr. L.S. Pross),
en

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo

hierna: het college
(gemachtigde: I.B.H. Heil).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om aan [eiser] een last onder dwangsom op te leggen vanwege het gebruiken en opslaan van voertuigen, werktuigen en ander materieel op het perceel [adres] dat volgens het college niet past binnen het gebruik dat op grond van het Omgevingsplan Hengelo aan het perceel is toegekend. [eiser] is het niet eens met dit besluit. Aan de hand van zijn beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de last onder dwangsom heeft kunnen opleggen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder dwangsom kon opleggen. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college is door de buurman van [eiser] met de brief van 4 maart 2024 verzocht om handhavend op te treden tegen het gebruik van het perceel aan de [adres]. Op 20 juni 2024 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd aan [eiser]. Met het bestreden besluit van 6 maart 2025 heeft het college het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard en de last onder dwangsom in stand gelaten.
2.1.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 op zitting behandeld. [eiser], vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en vergezeld door twee belangstellenden, en het college, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en [naam], hebben via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
3. [eiser] woont aan de [adres]. Zijn buurman heeft het college met de brief van 4 maart 2024 verzocht om handhavend te treden. Een toezichthouder van het college heeft op 14 maart 2024 het perceel van [eiser] bezocht en geconstateerd dat [eiser] voertuigen, werktuigen en materieel op zijn perceel heeft gestald. [eiser] heeft op 8 april 2024 met medewerkers van het college een gesprek gehad. Op 26 april 2024 is er een brief verzonden aan [eiser] waarin is medegedeeld dat het college voornemens is een last onder dwangsom op te leggen voor het strijdige gebruik van zijn perceel. Tegen dit voornemen heeft [eiser] een schriftelijke zienswijze kenbaar gemaakt. Met het besluit van 20 juni 2024 heeft het college aan [eiser] een last onder dwangsom opgelegd.
3.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] een grondverzetbedrijf exploiteert. Deze onderneming staat in het handelsregister ingeschreven op het adres [adres].
Inhoudelijke beoordeling
4. Op het perceel [adres] is het Omgevingsplan [plaats] (hierna: het omgevingsplan) van kracht. Op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan [1] is aan het perceel de bestemming ‘Wonen’ toegekend.
4.1.
In het bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat
– daargelaten of [eiser] de betreffende voertuigen, werktuigen en materialen voor zijn grondverzetbedrijf gebruikt – het gebruiken en stallen van dergelijke apparaten niet rijmt met de geldende woonbestemming. Voor zover [eiser] stelt dat hij de apparaten alleen hobbymatig en voor het onderhoud van zijn eigen tuin gebruikt, betoogt het college dat het gebruik dermate intensief is dat dit gebruik met bedrijfsmatige activiteiten gelijkgesteld kan worden.
Is er sprake van een overtreding?
5. [eiser] stelt dat hij de voertuigen, werktuigen en ander materieel op zijn perceel hobbymatig gebruikt. Volgens hem zijn enkele objecten erfstukken van zijn vader die hij onderhoudt. De overige voertuigen en werktuigen gebruikt hij voor het onderhoud van zijn tuin en erf. Dat gebruik heeft volgens hem naar aard, omvang en intensiteit de ruimtelijke uitstraling die passend is bij de woonbestemming. Bij de beoordeling van de ruimtelijke uitstraling zijn volgens [eiser] ook de context van de omgeving, de frequentie van de werkzaamheden en de duur daarvan van belang. Omdat hij de voertuigen, wektuigen en ander materieel alleen hobbymatig gebruikt, is er volgens [eiser] geen sprake van een overtreding.
5.1.
De vraag of het gebruik van een perceel strijdig is met de geldende woonbestemming dient, zoals [eiser] terecht stelt, te worden beantwoord aan de hand van de ruimtelijke uitstraling die dat gebruik heeft, gezien de aard, omvang en intensiteit van de activiteiten. [2] Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) is het daarbij bepalend of deze uitstraling van dien aard is dat deze niet meer valt te rijmen met de woonfunctie van het perceel. Binnen dit kader kan het van belang zijn, maar is niet doorslaggevend, of de activiteiten een beroepsmatig of een hobbymatig karakter hebben. [3] Veel of erg intensieve hobbymatige activiteiten kunnen met bedrijfsmatige activiteiten gelijk worden gesteld. [4]
5.2.
De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn betoog. Het staat vast dat [eiser] beschikt over een perceel met een omvang van meer dan 3000 m2. Het komt de rechtbank niet onwaarschijnlijk voor dat bij het onderhoud van het perceel gebruik wordt gemaakt van bepaalde apparaten en hulpmiddelen. Het college heeft echter vastgesteld dat [eiser] op zijn perceel – onder andere – een tractor, een shovel, een rupskruiwagen, twee minikranen, twee bussen en twee aanhangers heeft opgeslagen. [eiser] heeft in beroep toegelicht dat de grondfrees en egaliseermachine ook (alleen) op zijn eigen perceel worden gebruikt. De rechtbank overweegt dat – daargelaten de onbeantwoord gebleven vraag of deze apparaten in het bedrijf van [eiser] of alleen hobbymatig worden gebruikt – de opslag en het gebruik van deze voertuigen naar aard, omvang en intensiteit niet de ruimtelijke uitstraling hebben die passend is bij de woonbestemming. De rechtbank betrekt hierbij de ruimtelijke uitstraling die het gebruik en opslag van de werktuigen heeft voor directe omgeving. In dat kader overweegt de rechtbank dat de opslag en het gebruik van deze grote en professionele werktuigen een dusdanig intensief karakter hebben dat deze activiteiten aan bedrijfsmatige activiteiten gelijkgesteld kunnen worden. In het bestreden besluit is er terecht op gewezen dat het overgrote deel van de voertuigen en werktuigen in een gemiddeld huishouden in een woonwijk niet zal worden gebruikt, en dat het gebruik van dergelijke machines ook redelijkerwijs niet nodig zijn voor het onderhouden van een (weliswaar groot) woonperceel als dat van [eiser]. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het gebruik en de opslag van de voertuigen en werktuigen naar ruimtelijke uitstraling niet passend kunnen worden bevonden bij de woonbestemming waartoe het perceel van [eiser] is bestemd. Het betoog slaagt niet.
5.3.
Omdat de opslag en het gebruik van de voertuigen en werktuigen op het perceel niet in overeenstemming is met de woonfunctie, kon het college vaststellen dat ten tijde van de besluitvorming sprake is van een strijdig gebruik met de bestemming van het perceel van [eiser]. Het college heeft daarbij er terecht op gewezen dat in de algemene gebruiksbepaling van het tijdelijke deel van het omgevingsplan [5] is bepaald dat het gebruik van bebouwde en onbebouwde gronden ten behoeve van het opslaan van gebruikte, dan wel geheel of ten dele uit gebruikte onderdelen samengestelde motorrijtuigen of aanhangwagens, waarvan het gebruik niet passend is met de geldende bestemming, een strijdig gebruik vormt. Omdat sprake is van een overtreding kon het college hiertegen handhavend optreden. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de last onduidelijk?
6. [eiser] betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met de rechtszekerheid, omdat de opgelegde last onder dwangsom niet voldoende duidelijk is. Volgens [eiser] zijn op de foto’s die onderdeel uitmaken van de last onder dwangsom niet uitsluitend de door het college aangewezen voertuigen afgebeeld maar zijn ook nog diverse andere materialen afgebeeld. Omdat een concrete toelichting per afzonderlijke machine ontbreekt, is de last onder dwangsom onduidelijk en vormt dat een belemmering voor een adequate naleving, aldus [eiser].
6.1.
Het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat een last zodanig duidelijk en concreet geformuleerd wordt dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten over hetgeen gedaan of nagelaten moet worden om de overtreding te beëindigen. [6]
6.2.
De rechtbank overweegt als volgt. In de last onder dwangsom heeft het college expliciet vermeld dat [eiser] een bus met aanhanger, de graafmachine zoals die op foto 2 is afgebeeld en één van de op foto 4 afgebeelde blauwe trekkers op zijn perceel mag laten staan. Dat op enkele foto’s voertuigen dubbel zijn gefotografeerd, brengt naar het naar het oordeel van de rechtbank niet dat de last onder dwangsom onvoldoende concreet en duidelijk is geformuleerd. De rechtbank is van oordeel dat uit de last duidelijk volgt dat [eiser] een bus met aanhanger, de graafmachine en één blauwe trekker zoals deze op de foto’s bij de last zijn opgenomen, op zijn perceel kan laten staan. Ook volgt uit de last duidelijk op welke wijze [eiser] de overtreding kan beëindigen door aan de last te voldoen. De rechtbank ziet in hetgeen [eiser] op dit punt aanvoert geen aanleiding om te oordelen dat het college anderszins onduidelijkheid heeft laten ontstaan over de last. De beroepsgrond slaagt niet.
Is handhavend optreden in strijd met het eigendomsrecht?
7. [eiser] stelt dat het opslaan van machines op het eigen perceel wordt beschermd door het eigendomsrecht zoals neergelegd in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Volgens [eiser] is handhavend optreden door het college in strijd met deze bepaling.
7.1.
Op grond van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM heeft iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. [7]
7.2.
De oplegging van de last onder dwangsom is geen ontneming van eigendom in de zin van artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. Dat [eiser] als gevolg van de last onder dwangsom de voertuigen, werktuigen en ander materieel van zijn perceel moet verwijderen, betekent niet dat het college de eigendom hiervan ontneemt. De bepaling laat onverlet dat wettelijke voorschriften die noodzakelijk kunnen worden geacht met betrekking tot het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang, worden vastgesteld en toegepast. Omdat het college een met het omgevingsplan strijdig gebruik heeft geconstateerd, is sprake van een overtreding en bestaat geen grond voor het oordeel dat het college, door handhavend op te treden, handelt in strijd met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. [8] De beroepsgrond slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
8. [eiser] stelt dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden omdat buurtbewoners ook (tuin)machines op hun perceel stallen en het college in die gevallen niet handhavend optreedt.
8.1.
Voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel moet er sprake zijn van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. [9] Het is aan [eiser] en niet aan het college om het beroep op het gelijkheidsbeginsel te onderbouwen. [10]
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college terecht heeft aangegeven dat [eiser] zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet heeft onderbouwd. Hij heeft niet aangegeven op welke adressen sprake is van een vergelijkbare situatie waartegen het college niet handhavend optreedt. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit en daarmee de last onder dwangsom, in stand blijft. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Ides, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.J. van Heijningen, griffier en uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Bestemmingsplan ‘[locatie]’.
2.De Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2077, r.o. 2.3. en de Afdeling van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:397, r.o. 6.1.
3.Zie de Afdeling van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2077 r.o. 2.3 en de Afdeling van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2379, r.o. 3.1.
4.Zie bijvoorbeeld de Afdeling van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:418.
5.Artikel 21.1 aanhef en onder a van de planregels van het bestemmingsplan ‘[locatie]’.
6.Zie bijvoorbeeld de Afdeling van 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3880, r.o. 9.2.
7.Zie ook de Afdeling van 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:794, r.o. 11.2.
8.Zie ook de Afdeling van 15 november 2023 ECLI:NL:RVS:2023:4233, r.o. 8.2.
9.Zie bijvoorbeeld de Afdeling van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4922, r.o. 4.
10.Zie bijvoorbeeld de Afdeling van 10 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2319, r.o. 7.