4.3.1De chatgesprekken over geldtransacties via SkyECC
[medeverdachte 1] had via SkyECC contact met diverse andere SkyECC-gebruikers. Van die gesprekken zijn veelal – maar niet uitsluitend – de berichten die door de tegencontacten aan [medeverdachte 1] werden gestuurd, ontsleuteld en daarmee zichtbaar. Aan de hand van die berichten kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 1] op die berichten heeft gereageerd, maar de inhoud van die berichten bevinden zich veelal niet in het dossier, een uitzondering daargelaten. De rechtbank geeft hierna per tegencontact de inhoud van een aantal chatgesprekken weer om de gang van zaken te illustreren. Dit is slechts een selectie van de vele chatberichten die het dossier bevat.
10 februari 2020
Op 10 februari 2020 heeft [medeverdachte 1] contact met Sky-ID [accountnaam 2]. Die laatste laat aan [medeverdachte 1] weten dat hij over 50 minuten bij -2 is. [medeverdachte 1] vraagt: ‘Hoeveel zijn er?’, waarop [accountnaam 2] antwoordt: ‘35400’. Op het moment dat [accountnaam 2] meldt dat hij er is, vraagt [medeverdachte 1]: ‘Kan je het naar de toko in Rotterdam voor me gaan brengen’. ‘Het aan mijn vrouw geven’. ‘Vraag naar [verdachte]’.
12 september 2020
Op 12 september 2020 heeft [medeverdachte 1] contact met ‘[naam 5]’. Die laatste laat halverwege de middag aan [medeverdachte 1] weten dat zijn chauffeur er over vijf minuten kan zijn en vraagt of dat ok is en of [medeverdachte 1] of zijn vrouw dan klaar zijn. Zo’n twee uur later neemt ‘[naam 5]’ weer contact met [medeverdachte 1] op en vraagt: ‘Bro how much your wife give last round?’ ‘Oke lett me tell my boy to count again. Because he say is only 113.950’. ‘Bro ask your wife’ ‘Papers is 113.960 and not 133.960.’ ‘Ask your wife what happened.’ De discussie over het totaalbedrag gaat nog even door, waarop ‘[naam 5]’ aan [medeverdachte 1] laat weten dat het geld twee keer is geteld en dat alles in verschillende zakken zat. Daarop stuurt hij aan [medeverdachte 1] een foto van een doos AA-drink en zegt dat dat de doos was waar alles in zat en een foto met daarop een verschillende tasjes/plastic zakken en elastiekjes en zegt dat het geld nooit goed geteld is. ‘[naam 5]’ wil dat het opgelost wordt en spreekt met [medeverdachte 1] af dat hij de volgende dag langskomt met de jongen die het ophaalde en de jongen die het telde. [medeverdachte 1] vrouw moet er dan ook zijn en dan lossen ze het op.
De volgende dag spreekt ‘[naam 5]’ met [medeverdachte 1] af dat ‘[naam 5]’ naar de winkel van [medeverdachte 1] komt om het uit te praten. Rond twee uur ’s middags laat hij [medeverdachte 1] weten dat hij voor de deur staat. Zo’n drie kwartier later meldt ‘[naam 5]’ zich weer bij [medeverdachte 1]. Hij laat [medeverdachte 1] weten dat hij met de vrouw van [medeverdachte 1] heeft gepraat, maar dat hij niet gelooft dat de vrouw van [medeverdachte 1] zelf alles heeft geteld en dat de fout aan de kant van [medeverdachte 1] ligt. Uiteindelijk stelt ‘[naam 5]’ voor het tekort te delen. Het gesprek eindigt met het bericht van ‘[naam 5]’ dat [medeverdachte 1] voortaan het geld netjes moet laten tellen door zijn vrouw.
15 december 2020
Op 15 december 2020 heeft [medeverdachte 1] contact met Sky-ID [accountnaam 3]. Die laatste laat aan [medeverdachte 1] weten dat hij iemand heeft die 5500 in wil leveren in Nederland om naar Curaçao te gaan. [medeverdachte 1] antwoordt dat dat goed is en dat het voor hem naar de toko moet worden gebracht. [medeverdachte 1] laat [accountnaam 3] ‘s middags weten dat zijn vrouw naar buiten gaat om ‘hem’ te treffen. ‘Laat ze komen naar [adres 8]’. ‘Dat is de straat van de oude toko’, laat [medeverdachte 1] aan [accountnaam 3] weten. Ongeveer een kwartier later laat [medeverdachte 1] weten dat ‘zij’ eraan komt en een minuut later: ‘Ok klaar’.
9 en 10 januari 2021
Op 9 januari 2021 heeft [medeverdachte 1] contact met Sky-ID [accountnaam 4]. [medeverdachte 1] laat [accountnaam 4] weten dat de koers 2.16 is en dat € 8.230,00 nodig is om 16.000 fls te krijgen. Op 10 januari 2021 zegt [medeverdachte 1] aan [accountnaam 4]: ‘Laat je vriendin het thuis maar brengen voor [verdachte]’ en laat hem weten dat ze op Curaçao al betaald hebben. Later die middag laat [medeverdachte 1] aan [accountnaam 4] weten dat ‘ze’ nu naar beneden gaat en: ‘Ons huis is op nr 3’. ‘Rode deur’. ‘[verdachte] is al beneden’. Zo’n drie minuten later zegt [medeverdachte 1]: ‘Het is klaar’. Vijf minuten later meldt [medeverdachte 1] dat er 230 euro mist.
4.3.3De WeChat-gesprekken over geldtransacties in de periode van 8 augustus 2022 tot en met 18 maart 2024
Op 9 april 2024 zijn bij een doorzoeking in het winkelpand en de woning aan de [adres 9] en [adres 10] onder meer een telefoon van het merk Honor G50 en een telefoon van het merk iPhone 12 in beslag genomen. Dit betreft het winkelpand van [medeverdachte 1] en [verdachte] en de woning waar zij wonen met hun zoon [medeverdachte 2]. Ook zijn bij de doorzoeking contante geldbedragen en een geldtelmachine aangetroffen.
Honor G50
Door de politie is voornoemde telefoon onderzocht. Op grond van dit onderzoek en de bevindingen kan worden vastgesteld dat deze telefoon van [medeverdachte 1] is. In de chatapplicatie WeChat, die op de telefoon is aangetroffen, wordt namelijk gebruik gemaakt van een account met – evenals het account van [medeverdachte 1] in de chatapplicatie SkyECC – de gebruikersnaam ‘[alias 1]’, met daarachter tussen haakjes ‘Owner’. Daarnaast wordt de gebruiker van de telefoon in een chatgesprek aangesproken met ‘papa’ door het WeChat-account met de gebruikersnaam ‘[medeverdachte 2]’. [medeverdachte 1] is de vader van [medeverdachte 2]. Ook deelt ‘[alias 1]’ een foto waar hijzelf op staat samen met [verdachte]. Ook stuurt [medeverdachte 2] structureel foto’s naar ‘[alias 1]’ van documenten en poststukken geadresseerd aan [medeverdachte 1]. Ook bevat de camerarol van de telefoon zogenaamde ‘selfies’ van [medeverdachte 1].
Op grond van die feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat [medeverdachte 1] de gebruiker is geweest van de Honor G50 en dat de WeChat-berichten op deze telefoon aan [medeverdachte 1] zijn toe te schrijven. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de telefoon (ook) door een ander dan [medeverdachte 1] gebruikt werd. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van de telefoon aanduiden als [medeverdachte 1].
iPhone 12
Deze telefoon is eveneens door de politie onderzocht. Op grond van dit onderzoek en de bevindingen kan worden vastgesteld dat deze telefoon van [verdachte] is. In de chatapplicatie WeChat, die op de telefoon is aangetroffen, wordt gebruik gemaakt van twee accounts, ‘[accountnaam 5]’ en ‘[accountnaam 6]’. Van deze twee accounts zijn chatberichten aangetroffen met de accounts van [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] is de zoon van [verdachte] en [medeverdachte 1]. In de telefoon van [medeverdachte 2] (die eveneens tijdens de doorzoeking in beslag is genomen) is in WeChat het account met gebruikersnaam ‘[accountnaam 6]’ opgeslagen als ‘[alias 3]’ en ook in de chatberichten zelf wordt de gebruiker van het WeChat-account ‘[accountnaam 6]’ door [medeverdachte 2] aangesproken met ‘mama’. Datzelfde geldt ook voor het WeChat-account ‘[accountnaam 5]’. Ook deelt ‘[alias 3]’ een foto met [medeverdachte 2] waar zijzelf op staat samen met [medeverdachte 1]. Ook bevat de camerarol van deze telefoon meerdere zogenaamde ‘selfies’ van [verdachte], maar ook meerdere foto’s waar zij samen met [medeverdachte 1] op staat.
Op grond van die feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat [verdachte] de gebruiker is geweest van de iPhone12 die bij de doorzoeking is aangetroffen. Alle berichten van de genoemde WeChat-accounts zijn aan [verdachte] toe te schrijven. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de telefoon (ook) door een ander dan [verdachte] gebruikt werd. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van de telefoon aanduiden als [verdachte].
De rechtbank geeft hierna de inhoud van een aantal chatgesprekken weer om de gang van zaken te illustreren. Dit is slechts een selectie van de vele chatberichten die het dossier bevat
.
Gesprekken over geldtransacties met [medeverdachte 1]
12 december 2022
Op 12 december 2022 stuurt [medeverdachte 1] aan [verdachte] een foto met daarop een gedeelte van een bankbiljet van vijf euro waarop het serienummer zichtbaar is met daarbij de tekst: ‘geef hem €28.790’ en ‘een kerel die op een Nederlander lijkt’, waarop [verdachte] antwoordt met ‘ok’.
14 augustus 2023
Op 14 augustus 2023 stuurt [medeverdachte 1] aan [verdachte] een screenshot van een gesprek dat hij heeft met iemand anders, inhoudende: ‘Send token bro. De persoon is er. Naar binnen? Chinees. Korte zwarte mouw, vrouw’, en een letter- en cijfercombinatie, waarop [medeverdachte 1] antwoordt: ‘Yes’, ‘Tell her go inside’. [medeverdachte 1] laat [verdachte] weten dat chauffeur [naam 7] er is.
16 augustus 2023
Op 16 augustus 2023 stuurt [medeverdachte 1] aan [verdachte] een foto waarop een gedeelte van een bankbiljet van vijf euro met serienummer zichtbaar is en op het biljet is met rood ‘Chauffeur [naam 8]’ geschreven. Er vindt een videogesprek plaats en een half uur later stuurt [verdachte] naar [medeverdachte 1]: ‘Ontvangen: 26000’ en ‘Jouw nicht’, waarna weer een videogesprek plaatsvindt.
Daarnaast bespreken [medeverdachte 1] en [verdachte] ook dat [medeverdachte 2] grote geldbedragen beheert voor [medeverdachte 1]. Ook heeft [verdachte] aan [medeverdachte 1] foto’s verstuurd van stapeltjes contant geld met een briefje en een elastiekje eromheen.
Gesprekken over geldtransacties met ‘[medeverdachte 3]’
3 september 2022
Op 3 september 2020 vraagt ‘[medeverdachte 3]’ aan [verdachte]: ‘waar moet ik het brengen’ en ‘40’. Daarop antwoordt [verdachte]: ‘breng het naar [medeverdachte 2] voor me’ en ‘je kan het beter bij de toko brengen voor hem’.
9 september 2022
Op 9 september 2022 heeft [verdachte] contact met ‘[medeverdachte 3]’. ‘[medeverdachte 3]’ zegt tegen [verdachte]: ‘Colombia’ ‘80’, waarop [verdachte] antwoord met ‘ok’. ‘[medeverdachte 3]’ vraagt aan [verdachte]: ‘Kan je het totaal tellen zodat ik het kan zeggen’. [verdachte] antwoord dat dat ok is en dat ‘[medeverdachte 3]’ even moet wachten, omdat ze nog buiten is en zo naar huis gaat. Een uur later bericht [verdachte] aan ‘[medeverdachte 3]’: ‘80@3820=305.600.000 pesos. ‘[medeverdachte 3]’ vraagt of [verdachte] hem/haar wel tenminste 2% van ‘deze’ kan geven, zodat hij/zij een beetje schuld kan aflossen en zegt daarna dat hij/zij het vanavond wel brengen voor [medeverdachte 2]. [verdachte] antwoordt: ‘Nee. Ik heb het geteld om het te krijgen op 1.5%. Daarop zegt ‘[medeverdachte 3]’ dat ‘hij’ nu 89000 wil en dat ‘hij’ 9000 voor ‘[medeverdachte 3]’ heeft gebracht, waardoor het totaal 89000 is. [verdachte] antwoordt met: ‘ok’ en ‘89000@3820=339.980.000 pesos. ‘[medeverdachte 3]’ antwoordt ‘ok’ en stuurt vervolgens een foto van een gedeelte van een bankbiljet waarop onder meer het serienummer zichtbaar is, gevolgd door een foto waarop een aantal cijfers achter elkaar zijn geschreven. ’s Avonds meldt ‘[medeverdachte 3]’ aan [verdachte] dat hij zo gaat vertrekken naar [medeverdachte 2] en dat die laatste op zijn telefoon moet kijken. Een uurtje later bericht ‘[medeverdachte 3]’ aan [verdachte]: ‘Ik heb het gegeven’.
14 september 2022
Op 14 september 2022 heeft [verdachte] contact met ‘[medeverdachte 3]’. ‘[medeverdachte 3]’ stuurt ‘98800’, waarop [verdachte] vraagt: ‘Voor [naam 9]?’, hetgeen ‘[medeverdachte 3]’ bevestigd. ‘[medeverdachte 3]’ zegt dat [verdachte] deze keer wel 2% voor hem moet regelen. Daarop stuurt [verdachte]: ’98.800@3810=376.420.000 pesos. Daarop antwoordt ‘[medeverdachte 3]’ ‘ok’ en zegt dat hij ‘het’ al gekregen heeft en dat hij ‘het’ ’s avonds naar [medeverdachte 2] brengt. Daarop vraagt [verdachte] om een token en de WhatsApp van [naam 9] voor haar. Daarop stuurt ‘[medeverdachte 3]’ een foto van een gedeelte van een bankbiljet waarop onder meer het serienummer zichtbaar is, gevolgd door nogmaals dezelfde afbeelding die hij op 9 september 2022 ook naar [verdachte] heeft gestuurd, waarop een aantal cijfers achter elkaar zijn geschreven. Die avond bericht ‘[medeverdachte 3]’ aan [verdachte] dat hij ‘het’ al aan [medeverdachte 2] heeft gegeven. De volgende dag vraagt ‘[medeverdachte 3]’ aan [verdachte] of zij de mensen vandaag zelf bellen, waarop [verdachte] bevestigend antwoordt en zegt dat zij vanaf gisteren hebben gebeld en dat er vandaag geleverd wordt. Daarop bericht ‘[medeverdachte 3]’: ‘Ohh want de persoon heeft gezegd dat niemand gebeld heeft daarom’ en ‘Ik zal zeggen dan dat jullie al gebeld hebben’. [verdachte] zegt dat het geregeld wordt. Uiteindelijk stuurt [verdachte] twee dagen later aan ‘[medeverdachte 3]’ een gedeelte van een bankbiljet waarop hetzelfde serienummer zichtbaar is dat ‘[medeverdachte 3]’ eerder aan [verdachte] heeft gestuurd en waarop het bedrag in pesos is geschreven, te weten 376.420.
In verband met deze transactie heeft [medeverdachte 1] op 15 september 2022 contact met [medeverdachte 2]. [medeverdachte 1] wil van [medeverdachte 2] weten of ‘[medeverdachte 3]’ ‘spullen’ had gebracht, hetgeen [medeverdachte 2] bevestigt. Hij telt vanavond laat [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] weten. De volgende dag bericht [medeverdachte 2] in de avond aan [medeverdachte 1]: ‘[medeverdachte 3] 98790’.
Aan de hand van de besproken bedragen in de verschillende chats in de periode van 4 september 2022 tot en met 15 augustus 2023 hebben [verdachte] en [medeverdachte 3] € 551.778,00 en COP 1.715.665.000,00 aan geldoverdrachten met elkaar georganiseerd.
Gesprekken over geldtransacties tussen [medeverdachte 1] met [medeverdachte 2] of [medeverdachte 4] met camerabeelden
22 januari 2024
Op 22 januari 2024 stuurt [medeverdachte 1] om 19.30 uur Nederlandse tijd in een audiobericht via WeChat naar [medeverdachte 4]: ‘Straks komt een jonge buitenlander spullen langsbrengen. Je kan het aan [medeverdachte 2] geven.’ [medeverdachte 4] antwoordt daarop met: [medeverdachte 2] kan naar boven. Je kan aan [medeverdachte 2] vragen om een bedrag naar je te sturen.’ ‘Ok’ antwoordt [medeverdachte 1] daarop.
Om 19.32 uur Nederlandse tijd stuurt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2]: ‘iem komt iets afgev’, ‘tel ff’, ‘laat me weten of het klopt’ en ’26.500’.
Omstreeks 19.31 uur is op camerabeelden zichtbaar dat een onbekend gebleven man de toko in komt met een bruine papieren tas met roze opdruk. Zo’n acht seconden later maken de man en [medeverdachte 2] contact met elkaar in de hoek van de toko en geeft de man de bruine tas met roze opdruk aan [medeverdachte 2]. Daarna loopt [medeverdachte 2] met die bruine tas naar de hal langs [medeverdachte 4]. Tijdens de doorzoeking is boven de toko in [medeverdachte 2] slaapkamer een geldtelmachine aangetroffen.
Vervolgens volgt om 19.47 uur Nederlandse tijd een videogesprek van zeventien seconden tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], waarna [medeverdachte 2] om 19.51 uur laat weten dat het bedrag inderdaad 26.500 is.
26 januari 2024
Op 26 januari 2024 stuurt [medeverdachte 1] omstreeks 9.03 uur Nederlandse tijd dat straks een jonge buitenlander spullen komt langsbrengen, waarop [medeverdachte 4] met ‘ok’ reageert.
Om 9.15 uur is op de camerabeelden te zien dat een man met een donkere jas en pet de toko binnenkomt. Om 9.16 uur loopt hij naar [medeverdachte 4], die achter de toonbank staat. Hij geeft een stapel bankbiljetten aan [medeverdachte 4], waarvan de bovenste een 20 euro biljet is. Zij pakt het geld aan, stopt het in een zakje bij de vitrinekast en legt het vervolgens in de lade onder de kassa. De onbekende man bestelt daarna nog broodjes en verlaat daarna de toko.
Om 9.17 uur stuurt [medeverdachte 4] vervolgens aan [medeverdachte 1] een audiobericht waarin ze zegt: ‘Die heeft het gebracht.’
4.3.5Sprake van witwassen?
Nu de rechtbank reeds heeft vastgesteld dat [verdachte] betrokken is geweest bij transacties van (contante) geldbedragen, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen om tot een bewezenverklaring van feit 2 te komen.
4.3.5.1 Het beoordelingskader witwassen
Het beoordelingskader van witwassen is volgens vaste rechtspraak als volgt. Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een concreet aangeduid misdrijf. Wel is voor een bewezenverklaring ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband is te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.
Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
4.3.5.2 Toepassing van het beoordelingskader
Hoewel het dossier sterke aanwijzingen bevat dat de geldtransacties verband houden met de handel in (hard)drugs kan op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband worden gelegd tussen de tenlastegelegde bedragen en concrete drugstransacties of andere misdrijven. De rechtbank is echter wel van oordeel dat uit de hiervoor besproken feiten en omstandigheden een gerechtvaardigd vermoeden naar voren komt dat de ten laste gelegde geldbedragen geheel of gedeeltelijk van misdrijf afkomstig zijn. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
De geldtransacties hebben telkens plaatsgevonden onder omstandigheden die voldoen aan een aantal zogenoemde witwastypologieën. Dit zijn algemeen objectieve kenmerken van witwassen die zijn verkregen in jarenlange onderzoeken van internationale opsporing en bestrijding van witwassen. Deze typologieën vormen een aanwijzing dat het om opbrengsten uit criminele activiteiten gaat.
De contante geldbedragen waar in de SkyECC-berichten over wordt gesproken, zijn op straat/in de toko door geldkoeriers overgedragen nadat via PGP-berichten een token was doorgegeven. Het gebruik van tokens duidt erop dat de betrokkenen elkaar niet kenden of (blind) vertrouwden. Dat de betrokkenen bij deze transacties overduidelijk onbekenden van elkaar waren, volgt ook uit de omstandigheid dat bijvoorbeeld het uiterlijk werd doorgegeven van degene die het geld bracht of ophaalde en er veelal geen (echte) namen werden doorgegeven.
Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat PGP-telefoons vrijwel uitsluitend worden gebruikt in het criminele milieu om het afvangen van informatie door opsporingsdiensten te ontlopen. [medeverdachte 1] maakte gebruik van deze telefoons, waarmee hij met andere PGP-gebruikers communiceerde over de geldtransacties. Daarbij werd niet expliciet benoemd wat er gebracht of gehaald zou worden. Nadat het tot een afspraak was gekomen, werd door [medeverdachte 1] geregeld dat het geld in sommige gevallen in of bij de toko aan/door zijn vrouw [verdachte] of zijn zoon [medeverdachte 2] werd afgegeven.
De contante geldbedragen waar in de WeChat-berichten over werd gesproken, werden veelal in de Toko van [medeverdachte 1] en [verdachte] overgedragen, soms ook met behulp van een token. Het geld dat in de toko werd afgegeven, werd daar niet in de kassa gelegd, maar verdween onder de toonbank of werd meegenomen naar ‘achter’. Deze werkwijze past niet bij de normale bedrijfsvoering van die toko. Ook het feit dat er veelal grote coupures (van 200 of 500 euro) de toko werden binnengebracht is niet passend bij de normale bedrijfsvoering van de toko.
Ook de betrokkenen bij deze transacties zijn overduidelijk onbekenden van elkaar, hetgeen blijkt uit de omstandigheid dat [medeverdachte 1] aan [verdachte], [medeverdachte 2] of [medeverdachte 4] persoonskenmerken doorgeeft van degene die geld komt halen of brengen, of screenshots van de camerabeelden van de toko naar hen doorstuurt waarop de persoon staat die komt voor het geld. Hierbij werden veelal geen (echte) namen doorgegeven.
Daarnaast werd in WeChat-berichten gebruik gemaakt van versluierd taalgebruik. [verdachte] maakte gebruik van deze applicatie waarmee zij met een andere gebruiker met de naam ‘[medeverdachte 3]’ communiceerde over de geldtransacties en deze arrangeerde. Zij communiceerde ook met [medeverdachte 1] en hun zoon [medeverdachte 2] via deze applicatie. Er werd gesproken over het halen en brengen van ‘stukken’ of ‘dingen’ zonder expliciet te benoemen wat er gebracht of gehaald zou worden. Veelal bleef het bij het noemen van getallen zonder daar een munteenheid bij te noemen.
Het witwasvermoeden wordt daarnaast versterkt doordat niet is gebleken dat [medeverdachte 1] en [verdachte] uit hoofde van hun beroep of bedrijf hebben moeten kunnen beschikken over grote (contante) geldbedragen.
Deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden als hiervoor omschreven.
Concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring van [verdachte] voor de herkomst van de geldbedragen?
Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat er een gerechtvaardigd vermoeden is dat de ten laste gelegde geldbedragen geheel of gedeeltelijk van misdrijf afkomstig zijn, mag van [verdachte] worden verlangd dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat de geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn.
[verdachte] heeft zich tijdens het verhoor bij de politie op haar zwijgrecht beroepen. Er is dan ook geen sprake van een dergelijke verklaring van [verdachte].
Er is geen aanleiding voor een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie.
4.3.5.3 Tussenconclusie van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf.
4.3.8Het medeplegen
4.3.8.1 Het beoordelingskader
Het beoordelingskader voor medeplegen, zoals vastgesteld in de wet en rechtspraak en voor zover hier van belang, is als volgt gegeven in HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014: 3637:
“
3.2.1
De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. (…) Voor het gewicht van de rol van de medepleger in de zin van art. 47 Sr kan ook worden gewezen op art. 141, eerste lid, Sr. Het daar strafbaar gestelde "in vereniging plegen" van geweld eist dat de verdachte "een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld" heeft geleverd, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn geweest. (Vgl. bijvoorbeeld HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132, NJ 2013/407). 3.2.2.
Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
(…)
3.2.3.
De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. (Vgl. bijvoorbeeld HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972, NJ 2012/452). Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. (…) Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding”.
4.3.8.2 Toepassing van het beoordelingskader
De rechtbank is van oordeel dat het tenlastegelegde medeplegen kan worden bewezen. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering. Zoals uit de hiervoor opgenomen feiten en omstandigheden naar voren komt, werkte [verdachte] bij de planning en de uitvoering van de door haar georganiseerde (en hiervoor beschreven) geldtransacties steeds zeer nauw samen met [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3]. [verdachte] had daarbij een coördinerende, sturende en leidinggevende rol die zodanig substantieel was dat sprake is geweest van medeplegen. Daarnaast werkte zij zeer nauwkeurig samen met [medeverdachte 1] bij de planning en de uitvoering van de door hem georganiseerde geldtransacties. Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van medeplegen.