ECLI:NL:RBOVE:2026:75

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
71.098063.24 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deelneming aan een criminele organisatie en gewoontewitwassen door middel van ondergronds bankieren

Op 9 januari 2026 heeft de Rechtbank Overijssel uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van deelneming aan een criminele organisatie en gewoontewitwassen. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaren en een geldboete van €100.000,-. De verdachte is schuldig bevonden aan het medeplegen van witwassen en deelname aan een criminele organisatie, waarbij gebruik werd gemaakt van ondergronds bankieren. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte samen met anderen, waaronder haar echtgenoot en hun zoon, jarenlang betrokken was bij het witwassen van aanzienlijke geldbedragen. De rechtbank heeft de feiten en omstandigheden van de zaak uitvoerig besproken, waaronder de rol van de verdachte in de organisatie en de wijze waarop de geldtransacties plaatsvonden. De rechtbank concludeert dat de verdachte opzettelijk heeft deelgenomen aan de criminele organisatie en dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen, waarbij de verdachte niet in staat is geweest een verifieerbare verklaring te geven voor de herkomst van de geldbedragen. De rechtbank heeft de ernst van de feiten en de impact op de samenleving in overweging genomen bij het opleggen van de straf.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 71.098063.24 (P)
Datum vonnis: 9 januari 2026
Vonnis op tegenspraak (artikel 279 Wetboek van Strafvordering) in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] (China),
wonende aan de [woonplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 24 november 2025 en van 30 december 2025.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door de gemachtigd raadslieden mr. J.T.E. Vis en mr. F.L. Scheeren, beiden advocaat in Amsterdam, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging ex artikel 313 Wetboek van Strafvordering (Sv) van 10 maart 2025, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie
(feit 1)en het medeplegen van (gewoonte)witwassen van grote bedragen door middel van ondergronds bankieren in de periode van 1 januari 2020 tot en met 9 april 2024
(feit 2).
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
Zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 9 april 2024
te Rotterdam, althans in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie,
bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten medeverdachte [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of een of meer anderen,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk (gewoonte)witwassen, zoals bedoeld in artikel 420ter Wetboek van Strafrecht;
2
Zij in of omstreeks de periode van 1 januari 2020 tot en met 9 april 2024
te Rotterdam, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, hierin bestaande dat zij, verdachte en/of haar mededader(s) telkens een of meer voorwerpen, te weten geldbedragen van in totaal ongeveer € 811.528 en COP 1.715.665.000, te weten:
- op of omstreeks 12 september 2020 in totaal ongeveer € 113.960, en/of
- op of omstreeks 10 februari 2020 in totaal ongeveer € 35.400, en/of
- op of omstreeks 9 januari 2021 in totaal ongeveer € 8.230, en/of
- op of omstreeks 15 december 2020 in totaal ongeveer € 5.500, en/of
- in of omstreeks de periode van 8 augustus 2022 tot en met 18 maart
2024 in totaal ongeveer € 648.438 en/of COP 1.715.665.000,
heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

3.Inleiding

In dit hoofdstuk beschrijft de rechtbank allereerst kort het onderzoek 26Alencon en 26Alex, alsmede de identificatie van de gebruiker van het SkyECC-account [accountnaam 1]. In de hoofdstukken daarna volgen per feit de standpunten van de officier van justitie en de verdediging, waarna de rechtbank op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting per ten laste gelegd feit de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden vaststelt aan de hand van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen.
De rechtbank overweegt ten slotte, al dan niet in reactie op gevoerde verweren, waarom zij op basis van de vastgestelde feiten en omstandigheden tot conclusies komt en gaat vervolgens over tot beantwoording van de bewijsvraag. De rechtbank zal voor de leesbaarheid en de begrijpelijkheid van het vonnis bij de bespreking van de feiten zowel verdachte, als de medeverdachte [medeverdachte 1] hierna telkens met hun achternaam aanduiden, te weten [verdachte] en [medeverdachte 1].
3.1
Aanleiding voor en korte inleiding over de onderzoeken 26Alencon en 26Alex
Op 5 april 2023 is een strafrechtelijk onderzoek gestart met de naam 26Alencon naar aanleiding van verkregen Pretty Good Privacy (PGP) berichten die zijn veiliggesteld binnen een onderzoek naar PGP-aanbieder SkyECC (onderzoek Argus). Het ging om berichten van Sky-ID [accountnaam 1] met de gebruikersnaam ‘[alias 1]’.
Naar aanleiding van informatie van het Team Criminele Inlichtingen (TCI) dat in de toko van [alias 2] gevestigd op het adres [adres 1]) geld met een criminele herkomst gebracht en gehaald kan worden, is een strafrechtelijk onderzoek gestart met de naam 26Alex. Deze winkel is eigendom van [verdachte]. [verdachte] is de partner van [medeverdachte 1].
Uit onderzoek 26Alencon komt naar voren dat [medeverdachte 1], [verdachte], hun destijds minderjarige zoon [medeverdachte 2], een medewerkster van [alias 2], [medeverdachte 4] , en de niet geïdentificeerde ‘[medeverdachte 3]’ mogelijk een criminele organisatie zouden vormen, die zich in de periode van
1 januari 2020 tot en met 9 april 2024 bezig hield met het witwassen van ten minste
€ 24.086.873,00, $ 15.746.795,00, £ 8.279.040,00 en COP 2.042.725.000,00 via ondergronds bankieren.
In de periode van 1 januari 2020 tot 3 maart 2021 zou voornamelijk via SkyECC zijn gecommuniceerd en voor minimaal € 20.787.935,00, $ 15.746.795,00 en £ 8.279.040,00 aan contante geldoverdrachten zijn uitgevoerd door de vermeende criminele organisatie voor de volgende klanten:
• ‘[naam 1]’ (82 geldoverdrachten);
• ‘[naam 2]’ (12 geldoverdrachten);
• ‘[naam 3]’ (47 geldoverdrachten);
• ‘[naam 4]’ (29 geldoverdrachten);
• ‘[naam 5]’ (18 geldoverdrachten);
• ‘[naam 6]’ (26 geldoverdrachten);
• ‘overige klanten’ (4 geldoverdrachten).
Uit de inbeslaggenomen mobiele telefoons van onder andere [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2] zou volgen dat zij na de ontmanteling van SkyECC de criminele activiteiten hebben voortgezet.
Vanaf dat moment zou [verdachte] een actievere rol hebben gekregen door naast de betrokkenheid bij het uitvoeren van geldoverdrachten, ook zelf geldoverdrachten te organiseren.
Deze geldoverdrachten zouden grotendeels hebben plaatsgevonden in [alias 2] waarbij [medeverdachte 2] en (een) andere medewerker(s) van de toko een rol hebben gespeeld. Bij de geldtransacties werd gebruik gemaakt van tokens, veelal een foto van het serienummer van een bankbiljet.
In de periode van 8 augustus 2022 tot en met 18 maart 2024 zou er minimaal voor
€ 3.298.938,00 en COP 2.042.725.000,00 aan contante geldoverdrachten zijn uitgevoerd vanuit de toko. De COP 2.042.725.000,00 was bestemd voor [naam 9].
3.1.1
Identificatie gebruiker Sky-account ‘[accountnaam 1]’
Voor de bewijsvoering komt het in belangrijke mate aan op de inhoud van de ter beschikking gekomen chatberichten. Uit het dossier volgt dat veelal werd gecommuniceerd via zogenoemde PGP-telefoons waarop onder andere SkyECC was geïnstalleerd. De gebruikers van de toestellen hadden de accounts niet op hun eigen naam geregistreerd, maar onder een gebruikersnaam.
De vraag die in deze zaak, al dan niet in reactie op een verweer, allereerst moet worden beantwoord is of [medeverdachte 1] te identificeren is als de gebruiker van het Sky-ID [accountnaam 1].
De periode waarin het account [accountnaam 1] actief gebruikt werd, is van 18 januari 2020 tot en met 8 maart 2021. In totaal zijn er in die periode van 442 dagen Access Point Name (APN) gegevens beschikbaar. Op 378 dagen werden Cell-ID’s in China gebruikt.
Door de gebruiker van het Sky-ID [accountnaam 1] wordt in verschillende chats benoemd dat hij een Chinese jongen uit Rotterdam is die voor een aantal jaren in China moet blijven, dat hij een vrouw heeft die [verdachte] heet die in Rotterdam is, dat hij een huis heeft op nummer 3 en dat hij betrokken is bij een toko op de [adres 2].
Uit de gemeentelijke basisadministratie, het Kadaster, het handelsregister van de Kamer van Koophandel en uit politieregistraties kwam naar voren dat [medeverdachte 1] is geboren in China en dat hij gedurende de periode van de chatberichten stond ingeschreven aan de [adres 3] samen met [verdachte] en hun zoon [medeverdachte 2]. Daarnaast kwam naar voren dat [medeverdachte 1] gedurende de periode van de chatberichten de eigenaar was van het bedrijfspand aan de [adres 4] en de woning op nummer [adres 5] aan diezelfde straat en dat [verdachte] de eigenaar was van de naastgelegen woning met nummer [adres 6] aan diezelfde straat. Ook kwam naar voren dat [medeverdachte 1] gedurende de periode van de chatberichten de eigenaar was van de woning aan de [adres 2] en dat [verdachte] de eigenaar was van het bedrijfspand op nummer [adres 7] aan diezelfde straat. Daar komt bij dat [medeverdachte 1] in de jaren voorafgaand aan zijn aanhouding voornamelijk in China was.
De rechtbank stelt op basis van de inhoud van deze berichten vast dat [medeverdachte 1] de gebruiker is geweest van het account [accountnaam 1] met onder andere de gebruikersnaam ‘[alias 1]’. Alle berichten van dit account zijn aan [medeverdachte 1] toe te schrijven. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat [accountnaam 1] ook door een ander dan [medeverdachte 1] gebruikt werd. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van [accountnaam 1] aanduiden als [medeverdachte 1].
Het verweer van de verdediging, dat sprake is van (een samenstel van) vormverzuimen die tot bewijsuitsluiting zouden moeten leiden van op 6 juni 2023 verkregen gegevens afkomstig van twee telefoons van [verdachte], behoeft geen bespreking, omdat de rechtbank deze gegevens niet gebruikt bij de bewijsvoering. [verdachte] wordt hierdoor niet in enig rechtens te respecteren belang geschaad.
3.1.2
De volgorde van bespreking van de feiten
Het verwijt is dat [verdachte] zich samen met een ander of anderen in een crimineel samenwerkingsverband
(feit 1)heeft beziggehouden met ondergronds bankieren ((gewoonte)witwassen van geldbedragen)
(feit 2).Gelet daarop zal de rechtbank eerst feit 2 bespreken en antwoord geven op de vraag of [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte)witwassen. Als de rechtbank die vraag bevestigend beantwoordt, zal zij vervolgens de vraag bespreken of sprake is van een crimineel samenwerkingsverband en zo ja, of [verdachte] daaraan heeft deelgenomen, zoals aan haar onder feit 1 is tenlastegelegd.

4.Feit 2

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
Het Openbaar Ministerie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak van feit 2 bepleit. Daartoe is aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat de transacties hebben plaatsgevonden. Voor de transacties in de WeChat-periode geldt dat het bewijs voor betrokkenheid van [verdachte] ontoereikend is. Het bewijs voor medeplegen van witwassen moet ontoereikend worden geacht. Het bewijs voor het ‘van enig misdrijf afkomstig zijn’ van de voorwerpen moet ook ontoereikend worden geacht, alsmede het vereiste bewijs voor het opzet (‘zij wist’) daarop.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt hierna eerst de relevante feiten en omstandigheden vast.
4.3.1
De chatgesprekken over geldtransacties via SkyECC
[medeverdachte 1] had via SkyECC contact met diverse andere SkyECC-gebruikers. Van die gesprekken zijn veelal – maar niet uitsluitend – de berichten die door de tegencontacten aan [medeverdachte 1] werden gestuurd, ontsleuteld en daarmee zichtbaar. Aan de hand van die berichten kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 1] op die berichten heeft gereageerd, maar de inhoud van die berichten bevinden zich veelal niet in het dossier, een uitzondering daargelaten. De rechtbank geeft hierna per tegencontact de inhoud van een aantal chatgesprekken weer om de gang van zaken te illustreren. Dit is slechts een selectie van de vele chatberichten die het dossier bevat.
10 februari 2020
Op 10 februari 2020 heeft [medeverdachte 1] contact met Sky-ID [accountnaam 2]. Die laatste laat aan [medeverdachte 1] weten dat hij over 50 minuten bij -2 is. [medeverdachte 1] vraagt: ‘Hoeveel zijn er?’, waarop [accountnaam 2] antwoordt: ‘35400’. Op het moment dat [accountnaam 2] meldt dat hij er is, vraagt [medeverdachte 1]: ‘Kan je het naar de toko in Rotterdam voor me gaan brengen’. ‘Het aan mijn vrouw geven’. ‘Vraag naar [verdachte]’.
12 september 2020
Op 12 september 2020 heeft [medeverdachte 1] contact met ‘[naam 5]’. Die laatste laat halverwege de middag aan [medeverdachte 1] weten dat zijn chauffeur er over vijf minuten kan zijn en vraagt of dat ok is en of [medeverdachte 1] of zijn vrouw dan klaar zijn. Zo’n twee uur later neemt ‘[naam 5]’ weer contact met [medeverdachte 1] op en vraagt: ‘Bro how much your wife give last round?’ ‘Oke lett me tell my boy to count again. Because he say is only 113.950’. ‘Bro ask your wife’ ‘Papers is 113.960 and not 133.960.’ ‘Ask your wife what happened.’ De discussie over het totaalbedrag gaat nog even door, waarop ‘[naam 5]’ aan [medeverdachte 1] laat weten dat het geld twee keer is geteld en dat alles in verschillende zakken zat. Daarop stuurt hij aan [medeverdachte 1] een foto van een doos AA-drink en zegt dat dat de doos was waar alles in zat en een foto met daarop een verschillende tasjes/plastic zakken en elastiekjes en zegt dat het geld nooit goed geteld is. ‘[naam 5]’ wil dat het opgelost wordt en spreekt met [medeverdachte 1] af dat hij de volgende dag langskomt met de jongen die het ophaalde en de jongen die het telde. [medeverdachte 1] vrouw moet er dan ook zijn en dan lossen ze het op.
De volgende dag spreekt ‘[naam 5]’ met [medeverdachte 1] af dat ‘[naam 5]’ naar de winkel van [medeverdachte 1] komt om het uit te praten. Rond twee uur ’s middags laat hij [medeverdachte 1] weten dat hij voor de deur staat. Zo’n drie kwartier later meldt ‘[naam 5]’ zich weer bij [medeverdachte 1]. Hij laat [medeverdachte 1] weten dat hij met de vrouw van [medeverdachte 1] heeft gepraat, maar dat hij niet gelooft dat de vrouw van [medeverdachte 1] zelf alles heeft geteld en dat de fout aan de kant van [medeverdachte 1] ligt. Uiteindelijk stelt ‘[naam 5]’ voor het tekort te delen. Het gesprek eindigt met het bericht van ‘[naam 5]’ dat [medeverdachte 1] voortaan het geld netjes moet laten tellen door zijn vrouw.
15 december 2020
Op 15 december 2020 heeft [medeverdachte 1] contact met Sky-ID [accountnaam 3]. Die laatste laat aan [medeverdachte 1] weten dat hij iemand heeft die 5500 in wil leveren in Nederland om naar Curaçao te gaan. [medeverdachte 1] antwoordt dat dat goed is en dat het voor hem naar de toko moet worden gebracht. [medeverdachte 1] laat [accountnaam 3] ‘s middags weten dat zijn vrouw naar buiten gaat om ‘hem’ te treffen. ‘Laat ze komen naar [adres 8]’. ‘Dat is de straat van de oude toko’, laat [medeverdachte 1] aan [accountnaam 3] weten. Ongeveer een kwartier later laat [medeverdachte 1] weten dat ‘zij’ eraan komt en een minuut later: ‘Ok klaar’.
9 en 10 januari 2021
Op 9 januari 2021 heeft [medeverdachte 1] contact met Sky-ID [accountnaam 4]. [medeverdachte 1] laat [accountnaam 4] weten dat de koers 2.16 is en dat € 8.230,00 nodig is om 16.000 fls te krijgen. Op 10 januari 2021 zegt [medeverdachte 1] aan [accountnaam 4]: ‘Laat je vriendin het thuis maar brengen voor [verdachte]’ en laat hem weten dat ze op Curaçao al betaald hebben. Later die middag laat [medeverdachte 1] aan [accountnaam 4] weten dat ‘ze’ nu naar beneden gaat en: ‘Ons huis is op nr 3’. ‘Rode deur’. ‘[verdachte] is al beneden’. Zo’n drie minuten later zegt [medeverdachte 1]: ‘Het is klaar’. Vijf minuten later meldt [medeverdachte 1] dat er 230 euro mist.
4.3.2
Tussenconclusie van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van voorgaande chatberichten vast dat [medeverdachte 1] voornamelijk als ‘bankier’, maar ook als ‘broker’, betrokken is geweest bij voornoemde geldtransacties. [medeverdachte 1] spreekt met zijn tegencontacten voornamelijk via PGP-telefoons. Met die telefoons worden de berichten versleuteld en de gebruikers verkeerden in de veronderstelling dat de communicatie niet of moeilijk door politie en/of justitie te onderscheppen zou zijn. Veelal wordt dan ook vrijelijk gecommuniceerd door [medeverdachte 1] en zijn tegencontacten, maar in een aantal gevallen wordt gebruik gemaakt van versluierd taalgebruik, bijvoorbeeld bij het noemen van geldbedragen. In deze periode bevond [medeverdachte 1] zich voornamelijk in China, reden waarom [verdachte] in opdracht van [medeverdachte 1] meerdere keren contant geld in ontvangst heeft genomen en heeft afgegeven.
4.3.3
De WeChat-gesprekken over geldtransacties in de periode van 8 augustus 2022 tot en met 18 maart 2024
Op 9 april 2024 zijn bij een doorzoeking in het winkelpand en de woning aan de [adres 9] en [adres 10] onder meer een telefoon van het merk Honor G50 en een telefoon van het merk iPhone 12 in beslag genomen. Dit betreft het winkelpand van [medeverdachte 1] en [verdachte] en de woning waar zij wonen met hun zoon [medeverdachte 2]. Ook zijn bij de doorzoeking contante geldbedragen en een geldtelmachine aangetroffen.
Honor G50
Door de politie is voornoemde telefoon onderzocht. Op grond van dit onderzoek en de bevindingen kan worden vastgesteld dat deze telefoon van [medeverdachte 1] is. In de chatapplicatie WeChat, die op de telefoon is aangetroffen, wordt namelijk gebruik gemaakt van een account met – evenals het account van [medeverdachte 1] in de chatapplicatie SkyECC – de gebruikersnaam ‘[alias 1]’, met daarachter tussen haakjes ‘Owner’. Daarnaast wordt de gebruiker van de telefoon in een chatgesprek aangesproken met ‘papa’ door het WeChat-account met de gebruikersnaam ‘[medeverdachte 2]’. [medeverdachte 1] is de vader van [medeverdachte 2]. Ook deelt ‘[alias 1]’ een foto waar hijzelf op staat samen met [verdachte]. Ook stuurt [medeverdachte 2] structureel foto’s naar ‘[alias 1]’ van documenten en poststukken geadresseerd aan [medeverdachte 1]. Ook bevat de camerarol van de telefoon zogenaamde ‘selfies’ van [medeverdachte 1].
Op grond van die feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat [medeverdachte 1] de gebruiker is geweest van de Honor G50 en dat de WeChat-berichten op deze telefoon aan [medeverdachte 1] zijn toe te schrijven. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de telefoon (ook) door een ander dan [medeverdachte 1] gebruikt werd. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van de telefoon aanduiden als [medeverdachte 1].
iPhone 12
Deze telefoon is eveneens door de politie onderzocht. Op grond van dit onderzoek en de bevindingen kan worden vastgesteld dat deze telefoon van [verdachte] is. In de chatapplicatie WeChat, die op de telefoon is aangetroffen, wordt gebruik gemaakt van twee accounts, ‘[accountnaam 5]’ en ‘[accountnaam 6]’. Van deze twee accounts zijn chatberichten aangetroffen met de accounts van [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] is de zoon van [verdachte] en [medeverdachte 1]. In de telefoon van [medeverdachte 2] (die eveneens tijdens de doorzoeking in beslag is genomen) is in WeChat het account met gebruikersnaam ‘[accountnaam 6]’ opgeslagen als ‘[alias 3]’ en ook in de chatberichten zelf wordt de gebruiker van het WeChat-account ‘[accountnaam 6]’ door [medeverdachte 2] aangesproken met ‘mama’. Datzelfde geldt ook voor het WeChat-account ‘[accountnaam 5]’. Ook deelt ‘[alias 3]’ een foto met [medeverdachte 2] waar zijzelf op staat samen met [medeverdachte 1]. Ook bevat de camerarol van deze telefoon meerdere zogenaamde ‘selfies’ van [verdachte], maar ook meerdere foto’s waar zij samen met [medeverdachte 1] op staat.
Op grond van die feiten en omstandigheden komt de rechtbank tot de conclusie dat [verdachte] de gebruiker is geweest van de iPhone12 die bij de doorzoeking is aangetroffen. Alle berichten van de genoemde WeChat-accounts zijn aan [verdachte] toe te schrijven. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de telefoon (ook) door een ander dan [verdachte] gebruikt werd. Hierna zal de rechtbank de gebruiker van de telefoon aanduiden als [verdachte].
De rechtbank geeft hierna de inhoud van een aantal chatgesprekken weer om de gang van zaken te illustreren. Dit is slechts een selectie van de vele chatberichten die het dossier bevat
.
Gesprekken over geldtransacties met [medeverdachte 1]
12 december 2022
Op 12 december 2022 stuurt [medeverdachte 1] aan [verdachte] een foto met daarop een gedeelte van een bankbiljet van vijf euro waarop het serienummer zichtbaar is met daarbij de tekst: ‘geef hem €28.790’ en ‘een kerel die op een Nederlander lijkt’, waarop [verdachte] antwoordt met ‘ok’.
14 augustus 2023
Op 14 augustus 2023 stuurt [medeverdachte 1] aan [verdachte] een screenshot van een gesprek dat hij heeft met iemand anders, inhoudende: ‘Send token bro. De persoon is er. Naar binnen? Chinees. Korte zwarte mouw, vrouw’, en een letter- en cijfercombinatie, waarop [medeverdachte 1] antwoordt: ‘Yes’, ‘Tell her go inside’. [medeverdachte 1] laat [verdachte] weten dat chauffeur [naam 7] er is.
16 augustus 2023
Op 16 augustus 2023 stuurt [medeverdachte 1] aan [verdachte] een foto waarop een gedeelte van een bankbiljet van vijf euro met serienummer zichtbaar is en op het biljet is met rood ‘Chauffeur [naam 8]’ geschreven. Er vindt een videogesprek plaats en een half uur later stuurt [verdachte] naar [medeverdachte 1]: ‘Ontvangen: 26000’ en ‘Jouw nicht’, waarna weer een videogesprek plaatsvindt.
Daarnaast bespreken [medeverdachte 1] en [verdachte] ook dat [medeverdachte 2] grote geldbedragen beheert voor [medeverdachte 1]. Ook heeft [verdachte] aan [medeverdachte 1] foto’s verstuurd van stapeltjes contant geld met een briefje en een elastiekje eromheen.
Gesprekken over geldtransacties met ‘[medeverdachte 3]’
3 september 2022
Op 3 september 2020 vraagt ‘[medeverdachte 3]’ aan [verdachte]: ‘waar moet ik het brengen’ en ‘40’. Daarop antwoordt [verdachte]: ‘breng het naar [medeverdachte 2] voor me’ en ‘je kan het beter bij de toko brengen voor hem’.
9 september 2022
Op 9 september 2022 heeft [verdachte] contact met ‘[medeverdachte 3]’. ‘[medeverdachte 3]’ zegt tegen [verdachte]: ‘Colombia’ ‘80’, waarop [verdachte] antwoord met ‘ok’. ‘[medeverdachte 3]’ vraagt aan [verdachte]: ‘Kan je het totaal tellen zodat ik het kan zeggen’. [verdachte] antwoord dat dat ok is en dat ‘[medeverdachte 3]’ even moet wachten, omdat ze nog buiten is en zo naar huis gaat. Een uur later bericht [verdachte] aan ‘[medeverdachte 3]’: ‘80@3820=305.600.000 pesos. ‘[medeverdachte 3]’ vraagt of [verdachte] hem/haar wel tenminste 2% van ‘deze’ kan geven, zodat hij/zij een beetje schuld kan aflossen en zegt daarna dat hij/zij het vanavond wel brengen voor [medeverdachte 2]. [verdachte] antwoordt: ‘Nee. Ik heb het geteld om het te krijgen op 1.5%. Daarop zegt ‘[medeverdachte 3]’ dat ‘hij’ nu 89000 wil en dat ‘hij’ 9000 voor ‘[medeverdachte 3]’ heeft gebracht, waardoor het totaal 89000 is. [verdachte] antwoordt met: ‘ok’ en ‘89000@3820=339.980.000 pesos. ‘[medeverdachte 3]’ antwoordt ‘ok’ en stuurt vervolgens een foto van een gedeelte van een bankbiljet waarop onder meer het serienummer zichtbaar is, gevolgd door een foto waarop een aantal cijfers achter elkaar zijn geschreven. ’s Avonds meldt ‘[medeverdachte 3]’ aan [verdachte] dat hij zo gaat vertrekken naar [medeverdachte 2] en dat die laatste op zijn telefoon moet kijken. Een uurtje later bericht ‘[medeverdachte 3]’ aan [verdachte]: ‘Ik heb het gegeven’.
14 september 2022
Op 14 september 2022 heeft [verdachte] contact met ‘[medeverdachte 3]’. ‘[medeverdachte 3]’ stuurt ‘98800’, waarop [verdachte] vraagt: ‘Voor [naam 9]?’, hetgeen ‘[medeverdachte 3]’ bevestigd. ‘[medeverdachte 3]’ zegt dat [verdachte] deze keer wel 2% voor hem moet regelen. Daarop stuurt [verdachte]: ’98.800@3810=376.420.000 pesos. Daarop antwoordt ‘[medeverdachte 3]’ ‘ok’ en zegt dat hij ‘het’ al gekregen heeft en dat hij ‘het’ ’s avonds naar [medeverdachte 2] brengt. Daarop vraagt [verdachte] om een token en de WhatsApp van [naam 9] voor haar. Daarop stuurt ‘[medeverdachte 3]’ een foto van een gedeelte van een bankbiljet waarop onder meer het serienummer zichtbaar is, gevolgd door nogmaals dezelfde afbeelding die hij op 9 september 2022 ook naar [verdachte] heeft gestuurd, waarop een aantal cijfers achter elkaar zijn geschreven. Die avond bericht ‘[medeverdachte 3]’ aan [verdachte] dat hij ‘het’ al aan [medeverdachte 2] heeft gegeven. De volgende dag vraagt ‘[medeverdachte 3]’ aan [verdachte] of zij de mensen vandaag zelf bellen, waarop [verdachte] bevestigend antwoordt en zegt dat zij vanaf gisteren hebben gebeld en dat er vandaag geleverd wordt. Daarop bericht ‘[medeverdachte 3]’: ‘Ohh want de persoon heeft gezegd dat niemand gebeld heeft daarom’ en ‘Ik zal zeggen dan dat jullie al gebeld hebben’. [verdachte] zegt dat het geregeld wordt. Uiteindelijk stuurt [verdachte] twee dagen later aan ‘[medeverdachte 3]’ een gedeelte van een bankbiljet waarop hetzelfde serienummer zichtbaar is dat ‘[medeverdachte 3]’ eerder aan [verdachte] heeft gestuurd en waarop het bedrag in pesos is geschreven, te weten 376.420.
In verband met deze transactie heeft [medeverdachte 1] op 15 september 2022 contact met [medeverdachte 2]. [medeverdachte 1] wil van [medeverdachte 2] weten of ‘[medeverdachte 3]’ ‘spullen’ had gebracht, hetgeen [medeverdachte 2] bevestigt. Hij telt vanavond laat [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] weten. De volgende dag bericht [medeverdachte 2] in de avond aan [medeverdachte 1]: ‘[medeverdachte 3] 98790’.
Aan de hand van de besproken bedragen in de verschillende chats in de periode van 4 september 2022 tot en met 15 augustus 2023 hebben [verdachte] en [medeverdachte 3] € 551.778,00 en COP 1.715.665.000,00 aan geldoverdrachten met elkaar georganiseerd.
Gesprekken over geldtransacties tussen [medeverdachte 1] met [medeverdachte 2] of [medeverdachte 4] met camerabeelden
22 januari 2024
Op 22 januari 2024 stuurt [medeverdachte 1] om 19.30 uur Nederlandse tijd in een audiobericht via WeChat naar [medeverdachte 4]: ‘Straks komt een jonge buitenlander spullen langsbrengen. Je kan het aan [medeverdachte 2] geven.’ [medeverdachte 4] antwoordt daarop met: [medeverdachte 2] kan naar boven. Je kan aan [medeverdachte 2] vragen om een bedrag naar je te sturen.’ ‘Ok’ antwoordt [medeverdachte 1] daarop.
Om 19.32 uur Nederlandse tijd stuurt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2]: ‘iem komt iets afgev’, ‘tel ff’, ‘laat me weten of het klopt’ en ’26.500’.
Omstreeks 19.31 uur is op camerabeelden zichtbaar dat een onbekend gebleven man de toko in komt met een bruine papieren tas met roze opdruk. Zo’n acht seconden later maken de man en [medeverdachte 2] contact met elkaar in de hoek van de toko en geeft de man de bruine tas met roze opdruk aan [medeverdachte 2]. Daarna loopt [medeverdachte 2] met die bruine tas naar de hal langs [medeverdachte 4]. Tijdens de doorzoeking is boven de toko in [medeverdachte 2] slaapkamer een geldtelmachine aangetroffen.
Vervolgens volgt om 19.47 uur Nederlandse tijd een videogesprek van zeventien seconden tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], waarna [medeverdachte 2] om 19.51 uur laat weten dat het bedrag inderdaad 26.500 is.
26 januari 2024
Op 26 januari 2024 stuurt [medeverdachte 1] omstreeks 9.03 uur Nederlandse tijd dat straks een jonge buitenlander spullen komt langsbrengen, waarop [medeverdachte 4] met ‘ok’ reageert.
Om 9.15 uur is op de camerabeelden te zien dat een man met een donkere jas en pet de toko binnenkomt. Om 9.16 uur loopt hij naar [medeverdachte 4], die achter de toonbank staat. Hij geeft een stapel bankbiljetten aan [medeverdachte 4], waarvan de bovenste een 20 euro biljet is. Zij pakt het geld aan, stopt het in een zakje bij de vitrinekast en legt het vervolgens in de lade onder de kassa. De onbekende man bestelt daarna nog broodjes en verlaat daarna de toko.
Om 9.17 uur stuurt [medeverdachte 4] vervolgens aan [medeverdachte 1] een audiobericht waarin ze zegt: ‘Die heeft het gebracht.’
4.3.4
Tussenconclusie van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van voorgaande chatberichten allereerst vast dat [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] in [alias 2] voor [medeverdachte 1] contante geldbedragen in ontvangst hebben genomen en die bedragen in de toko of in de woonruimte boven de toko hebben geteld of hebben laten tellen. Ook hebben zij in de toko contante geldbedragen afgegeven aan mensen nadat ze daarover instructies hebben gekregen van [medeverdachte 1].
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat [verdachte] als ‘bankier’/’broker’ regelmatig via WeChat contact heeft met [medeverdachte 3] om verschillende geldtransacties te regelen.
4.3.5
Sprake van witwassen?
Nu de rechtbank reeds heeft vastgesteld dat [verdachte] betrokken is geweest bij transacties van (contante) geldbedragen, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen om tot een bewezenverklaring van feit 2 te komen.
4.3.5.1 Het beoordelingskader witwassen
Het beoordelingskader van witwassen is volgens vaste rechtspraak als volgt. Voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgenomen bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een concreet aangeduid misdrijf. Wel is voor een bewezenverklaring ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
Dat een voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband is te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.
Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
4.3.5.2 Toepassing van het beoordelingskader
Hoewel het dossier sterke aanwijzingen bevat dat de geldtransacties verband houden met de handel in (hard)drugs kan op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband worden gelegd tussen de tenlastegelegde bedragen en concrete drugstransacties of andere misdrijven. De rechtbank is echter wel van oordeel dat uit de hiervoor besproken feiten en omstandigheden een gerechtvaardigd vermoeden naar voren komt dat de ten laste gelegde geldbedragen geheel of gedeeltelijk van misdrijf afkomstig zijn. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
De geldtransacties hebben telkens plaatsgevonden onder omstandigheden die voldoen aan een aantal zogenoemde witwastypologieën. Dit zijn algemeen objectieve kenmerken van witwassen die zijn verkregen in jarenlange onderzoeken van internationale opsporing en bestrijding van witwassen. Deze typologieën vormen een aanwijzing dat het om opbrengsten uit criminele activiteiten gaat.
De contante geldbedragen waar in de SkyECC-berichten over wordt gesproken, zijn op straat/in de toko door geldkoeriers overgedragen nadat via PGP-berichten een token was doorgegeven. Het gebruik van tokens duidt erop dat de betrokkenen elkaar niet kenden of (blind) vertrouwden. Dat de betrokkenen bij deze transacties overduidelijk onbekenden van elkaar waren, volgt ook uit de omstandigheid dat bijvoorbeeld het uiterlijk werd doorgegeven van degene die het geld bracht of ophaalde en er veelal geen (echte) namen werden doorgegeven.
Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat PGP-telefoons vrijwel uitsluitend worden gebruikt in het criminele milieu om het afvangen van informatie door opsporingsdiensten te ontlopen. [medeverdachte 1] maakte gebruik van deze telefoons, waarmee hij met andere PGP-gebruikers communiceerde over de geldtransacties. Daarbij werd niet expliciet benoemd wat er gebracht of gehaald zou worden. Nadat het tot een afspraak was gekomen, werd door [medeverdachte 1] geregeld dat het geld in sommige gevallen in of bij de toko aan/door zijn vrouw [verdachte] of zijn zoon [medeverdachte 2] werd afgegeven.
De contante geldbedragen waar in de WeChat-berichten over werd gesproken, werden veelal in de Toko van [medeverdachte 1] en [verdachte] overgedragen, soms ook met behulp van een token. Het geld dat in de toko werd afgegeven, werd daar niet in de kassa gelegd, maar verdween onder de toonbank of werd meegenomen naar ‘achter’. Deze werkwijze past niet bij de normale bedrijfsvoering van die toko. Ook het feit dat er veelal grote coupures (van 200 of 500 euro) de toko werden binnengebracht is niet passend bij de normale bedrijfsvoering van de toko.
Ook de betrokkenen bij deze transacties zijn overduidelijk onbekenden van elkaar, hetgeen blijkt uit de omstandigheid dat [medeverdachte 1] aan [verdachte], [medeverdachte 2] of [medeverdachte 4] persoonskenmerken doorgeeft van degene die geld komt halen of brengen, of screenshots van de camerabeelden van de toko naar hen doorstuurt waarop de persoon staat die komt voor het geld. Hierbij werden veelal geen (echte) namen doorgegeven.
Daarnaast werd in WeChat-berichten gebruik gemaakt van versluierd taalgebruik. [verdachte] maakte gebruik van deze applicatie waarmee zij met een andere gebruiker met de naam ‘[medeverdachte 3]’ communiceerde over de geldtransacties en deze arrangeerde. Zij communiceerde ook met [medeverdachte 1] en hun zoon [medeverdachte 2] via deze applicatie. Er werd gesproken over het halen en brengen van ‘stukken’ of ‘dingen’ zonder expliciet te benoemen wat er gebracht of gehaald zou worden. Veelal bleef het bij het noemen van getallen zonder daar een munteenheid bij te noemen.
Het witwasvermoeden wordt daarnaast versterkt doordat niet is gebleken dat [medeverdachte 1] en [verdachte] uit hoofde van hun beroep of bedrijf hebben moeten kunnen beschikken over grote (contante) geldbedragen.
Deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden als hiervoor omschreven.
Concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring van [verdachte] voor de herkomst van de geldbedragen?
Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat er een gerechtvaardigd vermoeden is dat de ten laste gelegde geldbedragen geheel of gedeeltelijk van misdrijf afkomstig zijn, mag van [verdachte] worden verlangd dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat de geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn.
[verdachte] heeft zich tijdens het verhoor bij de politie op haar zwijgrecht beroepen. Er is dan ook geen sprake van een dergelijke verklaring van [verdachte].
Er is geen aanleiding voor een nader onderzoek door het Openbaar Ministerie.
4.3.5.3 Tussenconclusie van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig zijn uit enig misdrijf.
4.3.6
Het (voorwaardelijk) opzet
De vraagt waar de rechtbank zich vervolgens voor gesteld ziet, is of [verdachte] ervan op de hoogte was dat de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen van misdrijf afkomstig waren en er aldus sprake is van opzet. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Gezien de vergaande betrokkenheid van [verdachte] bij de geldverplaatsingen en haar gedeeltelijk leidende rol in het ondergrondse bankiersysteem waar deze verplaatsingen deel van uitmaakten, is uitgesloten dat [verdachte] niet van de illegale herkomst van de geldbedragen heeft geweten; het is [verdachte] die via WeChat met twee verschillende accounts communiceert en onderhandelt met ‘[medeverdachte 3]’ over de geldoverdrachten op de momenten dat [medeverdachte 1] niet beschikbaar is. Zij maakt de afspraken om over een langere periode grote geldbedragen te ontvangen, die ook weer in andere landen en dus in andere valuta uitbetaald moesten worden, zij geeft de benodigde tokens door of ontvangt deze van de klant en zij stuurt onder andere [medeverdachte 2] aan. Hierover werden door [verdachte] geen vragen gesteld. Door deze grote sommen geld te verplaatsen in het ondergrondse bankiersysteem heeft [verdachte] voor zover zij niet ten volle wist dat het geld met een criminele herkomst door haar handelen – buiten het zicht van de overheid – werd overgedragen, in ieder geval de aanmerkelijke kans hierop bewust aanvaard. Aldus heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan witwassen.
4.3.7
Gewoontewitwassen
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Of een meervoud aan gedragingen kan worden gekwalificeerd als een gewoonte, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, alsmede aan het aantal gedragingen en het tijdsbestek waarbinnen deze zich hebben afgespeeld. Daarbij geldt niet de eis dat wordt vastgesteld dat verdachte ‘de neiging’ had om telkens weer zich schuldig te maken aan het misdrijf of dat die gedragingen zich met een bepaalde minimumfrequentie hebben voorgedaan. [1]
[verdachte] heeft zich gedurende een periode van ruim vier jaren vele malen schuldig gemaakt aan het witwassen van een aanzienlijke hoeveelheid geld voor een regelmatig terugkerende klant. Het witwassen heeft in die lange periode een zodanige omvang en continuïteit gehad dat naar het oordeel van de rechtbank ook bewezen kan worden dat [verdachte] van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
4.3.8
Het medeplegen
4.3.8.1 Het beoordelingskader
Het beoordelingskader voor medeplegen, zoals vastgesteld in de wet en rechtspraak en voor zover hier van belang, is als volgt gegeven in HR 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014: 3637:

3.2.1
De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. (…) Voor het gewicht van de rol van de medepleger in de zin van art. 47 Sr kan ook worden gewezen op art. 141, eerste lid, Sr. Het daar strafbaar gestelde "in vereniging plegen" van geweld eist dat de verdachte "een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld" heeft geleverd, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn geweest. (Vgl. bijvoorbeeld HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132, NJ 2013/407).
3.2.2.
Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.
(…)
3.2.3.
De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. (Vgl. bijvoorbeeld HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972, NJ 2012/452). Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. (…)
Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding”.
4.3.8.2 Toepassing van het beoordelingskader
De rechtbank is van oordeel dat het tenlastegelegde medeplegen kan worden bewezen. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering. Zoals uit de hiervoor opgenomen feiten en omstandigheden naar voren komt, werkte [verdachte] bij de planning en de uitvoering van de door haar georganiseerde (en hiervoor beschreven) geldtransacties steeds zeer nauw samen met [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3]. [verdachte] had daarbij een coördinerende, sturende en leidinggevende rol die zodanig substantieel was dat sprake is geweest van medeplegen. Daarnaast werkte zij zeer nauwkeurig samen met [medeverdachte 1] bij de planning en de uitvoering van de door hem georganiseerde geldtransacties. Gelet hierop acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van medeplegen.
4.3.9
Conclusie
De rechtbank komt, gelet op dat wat hiervoor is besproken, tot een bewezenverklaring van het onder feit 2 tenlastegelegde medeplegen van gewoontewitwassen.

5.Feit 1

5.1
Het standpunt van de officier van justitie
Het Openbaar Ministerie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van het misdrijf witwassen.
5.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak van feit 1 bepleit, omdat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van (gewoonte)witwassen en ook niet dat [verdachte] zich daaraan heeft schuldig gemaakt. Al zouden strafbare feiten hebben plaatsgevonden waarbij [verdachte] betrokken zou zijn, dan kan de ‘medeplegen-overstijgende’ drempel van het ‘deelnemen’ aan een crimineel samenwerkingsverband en het daarmee ‘bijdragen’ aan een daarbij behorend crimineel oogmerk niet worden gehaald.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
5.3.1
Het beoordelingskader
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie moet worden vastgesteld dat:
sprake is geweest van een organisatie;
die organisatie tot oogmerk heeft gehad het plegen van misdrijven, in onderhavig geval het plegen van (gewoonte)witwassen;
verdachte opzettelijk aan die organisatie heeft deelgenomen.
Een organisatie in de zin van artikel 140 Sr is een samenwerkingsverband tussen twee of meer personen met een zekere duurzaamheid en structuur. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat iemand, om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt met of bekend moet zijn geweest met alle anderen die deel hebben uitgemaakt van die organisatie of dat de samenstelling van dat samenwerkingsverband steeds dezelfde is geweest.
Het oogmerk van de organisatie moet weliswaar gericht zijn op het plegen van misdrijven, maar niet is vereist dat het plegen van misdrijven de belangrijkste bestaansgrond van de organisatie is. Voor een bewezenverklaring is voldoende dat het plegen van misdrijven wordt beoogd, zodat geen aanvang hoeft te zijn gemaakt met het daadwerkelijk plegen daarvan. Voor de bewijsvoering van het bestanddeel ‘oogmerk’ zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijk doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.
Voor deelneming aan de organisatie is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet, in de zin van onvoorwaardelijk opzet (voorwaardelijk opzet is dus niet voldoende), dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft.
Het opzet van de verdachte moet dus zijn gericht op het deelnemen aan de organisatie. Volgt uit de bewijsvoering dat verdachte een aan de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie bijdragende of ondersteunende handeling heeft verricht, dan ligt daarin zijn wetenschap met betrekking tot het oogmerk besloten. Indien daarentegen uit de bewijsvoering slechts volgt dat de verdachte voor deelnemers van een criminele organisatie hand- en spandiensten heeft verricht zonder dat daaruit kan worden afgeleid dat hij daarbij handelde in de wetenschap dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had, dan staat daarmee niet vast dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat die organisatie bedoeld oogmerk had en levert het handelen van de verdachte geen deelneming aan die criminele organisatie op.
5.3.2
De toepassing van het beoordelingskader
De rechtbank heeft hiervoor ten aanzien van feit 2 geoordeeld dat bewezen is dat [verdachte] zich samen met onder andere [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen.
Uit het PGP-berichtenverkeer dat [medeverdachte 1] had met onder andere [verdachte], [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] volgt dat zij samen met anderen een organisatie vormden die stelselmatig grote contante geldbedragen aan derden verstrekten en van derden in ontvangst namen via ondergronds bankieren. Daarbij was sprake van een vaste werkwijze en een vaste kern van deelnemers gedurende een langere periode, waarbij de deelnemers ieder hun eigen taken hadden. In de hiërarchie van de organisatie had [medeverdachte 1] de leidende/sturende rol. Uit de PGP-berichten komt naar voren dat hij onder andere [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] aanstuurde bij de geldtransacties. De feitelijke gang van zaken heeft de rechtbank reeds uitgebreid uiteengezet bij de bespreking van feit 2 onder hoofdstuk 4. De rechtbank verwijst bij de bespreking van onderhavig feit naar wat in dit hoofdstuk is uiteengezet. Hetgeen hierna nog besproken wordt, dient dan ook in onderlinge samenhang met de uiteenzetting van de redengevende feiten en omstandigheden onder dat hoofdstuk gelezen te worden.
Zodra [medeverdachte 1] werd benaderd voor het geven of ontvangen van geld, nam hij contact op met bijvoorbeeld [medeverdachte 2] of [medeverdachte 4] en gaf hij hen opdracht om het geld klaar te leggen in de toko of in de toko in ontvangst te nemen, waarbij ook de benodigde gegevens werden doorgegeven, zoals een token, het uiterlijk van de persoon die geld kwam halen of brengen en de hoogte van het bedrag waar het om ging. Zodra de transactie succesvol verlopen was, werd dit door [medeverdachte 4] of [medeverdachte 2] teruggekoppeld aan [medeverdachte 1], en na het tellen van het ontvangen bedrag werd ook de hoogte daarvan doorgegeven aan [medeverdachte 1].
Uit de PGP-berichten van SkyECC volgt dat [medeverdachte 1] nauw contact had met zijn klanten voor wie hij de geldtransacties uitvoerde om deze transacties te coördineren. Hij ontving van of stuurde aan hen de benodigde tokens voor de overdracht, stemde met hen de ontmoetingslocaties en het tijdstip van de overdracht af. [medeverdachte 1] wilde ook op de hoogte worden gehouden van het verloop van de overdracht en vroeg om bevestiging of een geldoverdracht succesvol was verlopen. [medeverdachte 1] was ook degene die met de klanten de wisselkoersen besprak en die de hoogte van de commissie in verband met de geldtransacties vaststelde en besprak.
[verdachte] was vanaf het begin actief in een uitvoerende rol. [medeverdachte 1] regelde de geldtransacties en op het moment dat die in/bij de toko in Rotterdam plaatsvonden, was [verdachte] degene die het geld daar in ontvangst nam op verzoek van [medeverdachte 1]. Ook stuurde zij foto’s aan [medeverdachte 1] van stapeltjes contant geld met een briefje en een elastiek eromheen. Als [medeverdachte 1] niet beschikbaar was, was het [verdachte] die voornoemde werkzaamheden van [medeverdachte 1] overnam. Zo coördineerde zij ook zelf geldtransacties; zij had gesprekken met [medeverdachte 3] over aantallen, natellen en peso’s en werden tussen hen tokens verstuurd, berichtte [medeverdachte 3] haar op het moment dat hij ging vertrekken naar [medeverdachte 2] en koppelde [medeverdachte 3] later aan [verdachte] terug dat hij het geld aan [medeverdachte 2] had gegeven.
5.3.3
De conclusie
Gelet op deze feiten en omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband, bestaande uit verschillende personen, dat tot oogmerk had het plegen van (gewoonte)witwassen waaraan zowel [verdachte] als [medeverdachte 1], als [medeverdachte 2], als [medeverdachte 4], als [medeverdachte 3], als anderen een actieve bijdrage aan hebben geleverd.
De rechtbank acht feit 1 wettig en overtuigend bewezen.

6.De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1
zij in de periode van 1 januari 2020 tot en met 9 april 2024 in Nederland,
heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten medeverdachte [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of een of meer anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk (gewoonte)witwassen, zoals bedoeld in artikel 420ter Wetboek van Strafrecht;
2
zij in de periode van 1 januari 2020 tot en met 9 april 2024 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, hierin bestaande dat zij, verdachte en/of haar mededader(s) geldbedragen van € 714.638,00 en
COP 1.715.665.000,00 te weten:
- op 12 september 2020 € 113.960,00, en
- op 10 februari 2020 € 35.400,00, en
- op of omstreeks 9 januari 2021 € 8.000,00, en
- op 15 december 2020 € 5.500,00, en
- in de periode van 8 augustus 2022 tot en met 18 maart
2024 in totaal ongeveer € 551.778,00 en COP 1.715.665.000,00,
heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl zij wist dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

7.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 140 en 420ter Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Anders dan de verdediging heeft betoogd is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van eendaadse samenloop, nu de feiten een wezenlijk ander verwijt opleveren en de strekking van de strafbepalingen meer dan enigszins uiteenloopt.
Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
feit 2
het misdrijf: medeplegen van gewoontewitwassen.

8.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

9.Voorwaardelijke verzoeken verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, ingeval de rechtbank zich (nog) niet voldoende geïnformeerd mocht achten om tot vrijspraak te komen, nader onderzoek noodzakelijk is, te weten:
- het aan het dossier toevoegen van de gemaakte videobeelden van de 'interventie
op Schiphol' d.d. 6 juli 2023;
- het als getuigen (doen) horen van de bij de 'interventie op Schiphol' betrokken
leden van het onderzoeksteam '[naam 10]' en de betrokkenen van de [naam 11];
- het als getuigen (doen) horen van de bij de 'interventie op Schiphol' betrokken
Douanemedewerkers;
- het horen van de ‘Sky ECC-tegengebruikers’ wier (onderlinge) gesprekken door het
openbaar ministerie en het onderzoeksteam worden tegengeworpen als zouden
deze duiden op de ‘van misdrijf afkomstige’ herkomst van voorwerpen.
De officier van justitie heeft zich hiertegen verzet.
De rechtbank is van oordeel dat deze voorwaardelijke verzoeken moeten worden afgewezen, nu de rechtbank zich op basis van het dossier zoals dat nu voorligt voldoende voorgelicht acht en daarmee de noodzaak tot het doen van nader onderzoek ontbreekt.

10.De op te leggen straf of maatregel

10.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd en een geldboete van € 100.000,00. De officier van justitie vordert daarnaast de gevangenneming van verdachte bij eindvonnis en vraagt de rechtbank om de medebrenging van verdachte naar de uitspraak te gelasten.
10.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit, in het geval de rechtbank toch komt tot een bewezenverklaring, rekening te houden met de brief van 21 november 2025 die verdachte aan de rechtbank heeft doen toekomen.
Daarnaast heeft de verdediging verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het feit dat zij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en het feit dat verdachte – intussen al meer dan anderhalf jaar alleen – zorg draagt voor zowel haar gezin, met twee jonge kinderen, alsook voor [alias 2], waarmee in de kostwinning voor het gezin wordt voorzien, alsook met de impact die de strafzaak en alles wat daarmee gepaard is gegaan op verdachte heeft gehad. De verdediging heeft verzocht aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en te volstaan met oplegging van een – desnoods zeer langdurig – voorwaardelijk strafdeel in combinatie met een taakstraf.
10.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Aard en ernst van de feiten
Verdachte heeft zich jarenlang schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen door middel van illegaal ondergronds bankieren. Dit deed zij samen met anderen, waaronder haar echtgenoot en hun destijds minderjarige zoon.
Witwassen vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en heeft een ontwrichtende werking op de samenleving. Witwassen leidt er namelijk toe dat uit misdrijf verkregen geld een schijnbaar legale herkomst krijgt, waarna de pleger van het misdrijf vrijelijk over het geld kan beschikken in de legale economie, zodat ‘misdaad loont’. Dit alles gaat ten koste van de samenleving, alleen vanwege eigen financieel gewin.
Door witwassen op deze schaal wordt niet alleen het girale betalingssysteem ondermijnd, maar ook zorgt het ervoor dat andere vormen van ernstige ondermijnende criminaliteit zoals (georganiseerde) drugshandel, wapenhandel of terrorisme kunnen worden gefinancierd. Dit maakt dat de criminele wereld in stand wordt gehouden en andere ernstige strafbare feiten mogelijk worden gemaakt. Verdachte dient zich ervan bewust te zijn dat haar handelen veel verder reikt dan alleen het verplaatsen van geld.
Daarnaast heeft verdachte opzettelijk deelgenomen aan een criminele organisatie in de vorm van een ondergronds bankiersnetwerk dat mondiaal opereerde. Zij heeft zich samen met haar man, medeverdachte [medeverdachte 1], schaamteloos, geraffineerd, intensief en op grote schaal bezig gehouden met ondergronds bankieren-activiteiten en heeft daarin zelfs haar destijds minderjarige zoon en medewerkers van de toko – die slechts als dekmantel fungeerde – betrokken. Uit de PGP-berichten in het dossier zijn aanwijzingen naar voren gekomen dat de door hen in dit verband witgewassen geld verband houdt met de handel in drugs en dat de witgewassen gelden ‘slechts’ een topje van de ijsberg betreffen, omdat het witwassen op nog grotere schaal heeft plaatsgevonden.
Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. De rechtbank is van oordeel dat daarop alleen kan worden gereageerd met de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.
Bij het bepalen van de straf en de hoogte daarvan heeft de rechtbank allereerst gekeken naar jurisprudentie over vergelijkbare zaken en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Voor witwassen bestaat geen afzonderlijk oriëntatiepunt, reden waarom de rechtbank aansluiting heeft gezocht bij de oriëntatiepunten voor fraudezaken. Het oriëntatiepunt voor fraudezaken met een benadelingsbedrag van € 1.000.000,00 en hoger ligt tussen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en de maximale gevangenisstraf die volgens de wet kan worden opgelegd voor het fraudedelict. In dit geval is het strafverzwarend dat verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt en dat zij dit samen met anderen én in georganiseerd verband heeft gedaan. Daarbij was sprake van een hoge organisatiegraad met internationale transacties en werd haar bedrijf, de toko, als dekmantel gebruikt. De rechtbank houdt daarbij wel rekening met het feit dat [medeverdachte 1] degene is geweest die alles heeft gearrangeerd, die de criminele contacten heeft en heeft onderhouden, die veel meer geldtransacties heeft laten verrichten en dat verdachte veelal in zijn opdracht heeft gehandeld. Veelal, maar niet uitsluitend, want op de momenten dat [medeverdachte 1] daartoe niet in de gelegenheid was, heeft verdachte zelf de geldtransacties gearrangeerd.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank acht geslagen op verdachtes strafblad van 15 april 2025. Daaruit komt naar voren dat verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. Het dossier bevat echter berichten van [medeverdachte 2] waarin hij schrijft dat zijn ouders al langer op illegale wijze aan geld komen en “met pensioen zouden kunnen gaan”. De inhoud van deze berichten geeft naar het oordeel van de rechtbank dermate treffend blijk van het schaamteloze en stelselmatige handelen van [medeverdachte 1] en [verdachte], dat de rechtbank daarin aanleiding ziet deze hieronder weer te geven.
[Afbeelding] [Afbeelding]
[Afbeelding]
[Afbeelding]
Conclusie
Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat in het geval van verdachte oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en een geldboete van € 100.000,00 passend en geboden is.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie tot het geven van een bevel tot gevangenneming af. Uit onderhavig veroordelend vonnis kan worden afgeleid dat de rechtbank van oordeel is dat sprake is van voldoende ernstige bezwaren op grond waarvan een dergelijk bevel kan worden gegeven. Artikel 67a Sv vereist echter dat er daarnaast ook een of meer gronden aanwezig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan in dit geval geen grond voor voorlopige hechtenis worden aangenomen.

11.De inbeslaggenomen voorwerpen

11.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op alle op de beslaglijst vermelde geldbedragen onder de nummers 1 en 5 tot en met 29 naast klassiek beslag ex artikel 94 Sv ook conservatoir beslag rust, zodat de rechtbank daarover geen beslissing hoeft te nemen.
11.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat de voorwerpen waarop beslag ex artikel 94 Sv rust dienen te worden geretourneerd aan verdachte. Voor verbeurdverklaring bestaat geen ruimte, omdat niet kan blijken dat het baten uit het strafbare feit zijn, of dat sprake is van objecten waarmee/met behulp waarvan het strafbare feit zou zijn begaan.
11.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat op alle inbeslaggenomen geldbedragen op de beslaglijst (nummers 1 en 5 tot en met 29) naast klassiek beslag ex artikel 94 Sv, ook conservatoir beslag ex artikel 94a Sv rust. Dat beslag is gelegd tot bewaring van het recht tot verhaal voor een op te leggen ontnemingsmaatregel of geldboete. Nu de rechtbank aan verdachte een geldboete oplegt, zal de rechtbank over deze inbeslaggenomen geldbedragen geen beslissing nemen.

12.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 23, 24c en 57 Sr.

13.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
feit 2
het misdrijf: medeplegen van gewoontewitwassen;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
4 (vier) jaren;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
- veroordeelt de verdachte tot betaling van
een geldboete van € 100.000,00 (honderdduizend euro);
- beveelt dat bij niet volledige betaling en verhaal van de geldboete, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
358 (driehonderdachtenvijftig) dagen;
voorlopige hechtenis
- wijst af de vordering tot gevangenneming.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.K. Huisman, voorzitter, mr. D. van den Berg en
mr. P.A.M. Miltenburg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026.