ECLI:NL:RBOVE:2026:614

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
ak_25_2510
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29a ZWArt. 38a ZWArt. 38b ZWArt. 2b Boetebesluit sociale verzekeringswettenArt. 7:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete wegens te late ziekteaangifte door werkgever bevestigd

De zaak betreft een boete van €455,- die het UWV aan eiseres, een werkgever, heeft opgelegd wegens het te laat doen van een ziekteaangifte. Eiseres voerde aan dat de ziekteaangifte niet verwijtbaar was omdat zij handelde op advies van de door haar ingeschakelde arbodienst, die aanvankelijk oordeelde dat geen melding nodig was. Pas op 4 april 2025 werd de ziekteaangifte gedaan nadat de arbodienst haar standpunt wijzigde.

De rechtbank oordeelt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat de ziekteaangifte te laat was gedaan, omdat het voor eiseres op 30 oktober 2024 redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat de werkneemster aanspraak kon maken op ziekengeld. De verantwoordelijkheid voor tijdige ziekteaangifte ligt bij de werkgever, ook voor de werkzaamheden van ingeschakelde deskundigen zoals de bedrijfsarts.

De rechtbank wijst het beroep af omdat eiseres onvoldoende concrete en verifieerbare gegevens heeft aangevoerd om haar stelling van overmacht te onderbouwen. Ook acht de rechtbank de boete passend en evenredig, en ziet geen reden tot verlaging wegens verminderde verwijtbaarheid. Daarnaast wordt het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen omdat het bezwaar niet tot herroeping van het besluit heeft geleid.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de boete van €455,- wegens te late ziekteaangifte en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2510

uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen

[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen,het UWV
(gemachtigde: M.A. Kuilderd).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de boete die het UWV aan eiseres heeft opgelegd. Eiseres is het hier niet mee eens en zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank deze zaak.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV op goede gronden aan eiseres een boete heeft opgelegd. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1
In het besluit van 2 mei 2025 heeft het UWV aan eiseres een boete opgelegd van
€ 455,-.
2.2
Met het bestreden besluit van 12 augustus 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dat besluit gebleven.
2.3
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV. Ook is verschenen [naam] . Partijen hebben
onlineaan de zitting deelgenomen.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1
Eiseres heeft op 4 april 2025 een ziekteaangifte bij het UWV gedaan en gemeld dat een werkneemster sinds 29 augustus 2024 ziek is vanwege zwangerschapsklachten.
3.2
Op 14 april 2025 heeft het UWV het voornemen kenbaar gemaakt om een boete van € 455,- op te leggen, omdat de ziekteaangifte niet, onjuist of na 27 kalenderdagen is gedaan. Het UWV heeft eiseres in de gelegenheid gesteld op dit voornemen te reageren. Eiseres heeft op 26 april 2025 op het voornemen gereageerd. Volgens eiseres was – kort gezegd – sprake van overmacht en is de te late ziekteaangifte niet verwijtbaar.
3.3
Vervolgens is de besluitvorming gevolgd zoals onder ‘procesverloop’ uiteen is gezet.

Standpunten van partijen

4.1
Aan het bestreden besluit ligt de motivering ten grondslag dat eiseres de ziekteaangifte te laat heeft gedaan. Het moment waarop eiseres op de hoogte was van de vangnetsituatie, is volgens het UWV bepalend voor de beoordeling of er een tijdige ziekteaangifte is. Eiseres wist op 30 oktober 2024 van de vangnetsituatie en zij heeft de ziekteaangifte pas op 4 april 2025 gedaan. Dat is te laat. Omdat de ziekteaangifte meer dan 27 kalenderdagen te laat is gedaan, bedraagt de boete € 455,-. Volgens het UWV is de te late ziekteaangifte verwijtbaar. Van eiseres mag verwacht worden dat zij op hoogte is of zich op de hoogte stelt van de verplichtingen die gelden voor het tijdig doen van ziekteaangiftes van haar werknemers. Het blijft de verantwoordelijkheid van eiseres – ook voor de door haar ingehuurde diensten – om ervoor te zorgen dat zij de ziekteaangifte op tijd doet en voldoet aan de plichten die erbij horen. In wat eiseres heeft aangevoerd ziet het UWV geen reden om de boete te verlagen of om af te zien van de boete. Volgens het UWV zijn er geen bijzondere omstandigheden en is de boete passend en evenredig.
4.2
Eiseres stelt zich op het standpunt – samengevat weergegeven – dat het UWV het bezwaar ten onrechte niet gegrond heeft verklaard en het primaire besluit niet heeft herroepen. Zo is de juridische grondslag gewijzigd van artikel 38a van de Ziektewet (ZW) naar artikel 38b, tweede lid, van de ZW. Ook is motivering volledig herzien. Het UWV had dan ook een proceskostenvergoeding moeten toekennen. Eiseres verwijst ter onderbouwing naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 31 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2074.
Eiseres stelt verder dat artikel 38b, tweede lid, van de ZW voorschrijft dat de melding binnen 4 dagen moet gebeuren vanaf het moment waarop redelijkerwijs duidelijk is dat de werknemer aanspraak maakt op ziekengeld. Het was eiseres pas op 4 april 2025 redelijkerwijs duidelijk dat werkneemster aanspraak had op ziekengeld, omdat de arbodienst tot dan toe oordeelde dat geen melding bij het UWV nodig was. Zodra de arbodienst meende dat wél een melding nodig was, heeft eiseres direct een melding bij het UWV gedaan.
Verder stelt eiseres dat het UWV ten onrechte heeft aangenomen dat de te late ziekteaangifte verwijtbaar zou zijn. De complexe situatie met eerdere gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid wegens andere redenen dan zwangerschap maakte het feitelijk en juridisch onmogelijk om de melding in de periode vóór 4 april 2025 te doen. Eiseres heeft naar aanleiding van de ziekmelding van werkneemster professioneel advies bij de arbodienst ingewonnen. Eiseres heeft proactief gevraagd aan de arbodienst of een melding bij het UWV nodig was. De arbodienst gaf aan dat een melding niet nodig was. De arbodienst wijzigde haar standpunt op 4 april 20245 waarop eiseres onmiddellijk alsnog een melding heeft gedaan bij het UWV. Daar komt bij dat het alleen aan de arbodienst is om de medische situatie van werkneemster te beoordelen. Ten onrechte werpt het UWV eiseres tegen dat zij het advies van de arbodienst heeft opgevolgd. Zij verwijst in dit verband naar een uitspraak van de CRvB van 26 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2143. Uit die uitspraak volgt volgens eiseres dat het opvolgen van professioneel advies, verwijtbaarheid uitsluit. Eiseres stelt tot slot dat de boete onevenredig zwaar is gelet op alle omstandigheden.

Het oordeel van de rechtbank

5.1
Niet in geschil is dat werkneemster aanspraak kon maken op een uitkering op grond van artikel 29a van de ZW. Vast staat verder dat geen ziekteaangifte is gedaan op de in artikel 38a van de ZW genoemde termijn. Dit betekent dat vervolgens op grond van artikel 38b, tweede lid, van de ZW de vraag aan de orde is of eiseres de melding zo spoedig mogelijk heeft gedaan, in elk geval niet later dan de vierde dag na het tijdstip waarop het eiseres redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat werkneemster aanspraak op ziekengeld kon maken op grond van artikel 29a van de ZW.
5.2
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV terecht gesteld dat het eiseres op 30 oktober 2024 redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat werkneemster aanspraak op ziekengeld kon maken. In zijn schrijven van 30 oktober 2024, gericht aan eiseres, meldt de bedrijfsarts dat werkneemster vanwege een vangnetsituatie meer klachten ervaart. Eiseres heeft in de beroepsgronden aangevoerd dat zij heeft overlegd met de arbodienst en dat op advies van de arbodienst geen nieuwe ziekmelding is gedaan. Op de zitting heeft eiseres echter verklaard dat de arbodienst mondeling heeft aangeven dat zij eind oktober 2024 niet heeft kunnen vaststellen dat de nieuwe ziekmelding voortkwam uit zwangerschapsklachten. Op dit punt bestaat dus geen eenduidigheid in de presentatie van de feiten door eiseres en ook heeft eiseres de gestelde gang van zaken niet met concrete en verifieerbare gegevens onderbouwd. Bovendien is en blijft eiseres als werkgever verantwoordelijk voor de (kwaliteit van) de werkzaamheden van de door haar ingeschakelde deskundige (zoals een bedrijfsarts). Dit betekent dus dat het voor haar rekening en risico blijft dat zij, naar zij stelt, is afgegaan op het advies van de door haar ingeschakelde bedrijfsarts. Het bericht van de bedrijfsarts dat bij werkneemster sprake is van een vangnetsituatie had voor eiseres aanleiding moeten zijn om adequaat onderzoek te doen naar de noodzaak van een nieuwe ziekmelding, te meer daar, zoals eiseres zelf heeft aangegeven, sprake was van een complexe samenloop met eerdere gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.
5.3
Dit betekent dat eiseres haar verplichting als bedoeld in artikel 38a, derde lid, van de ZW in verbinding met artikel 38b, tweede lid, van de ZW niet is nagekomen en dat het UWV op grond van 38a, achtste lid, van de ZW een boete van ten hoogste € 455,- op moet leggen. Op grond van het bepaalde van artikel 2b, eerste lid onder c, van het Boetebesluit sociale verzekeringswetten bedraagt de hoogte van de boete € 455,- als de aangifte van de ongeschiktheid tot werken 28 kalenderdagen of meer te laat is gedaan. Daarvan is hier sprake. Uit de tekst van artikel 38a, achtste lid, van de ZW, volgt niet dat het om een vastgestelde boete gaat. Volgens de tekst van artikel 38a, achtste lid, gaat het om een ten hoogste op te leggen boete. In artikel 38a, achtste lid, van de ZW is artikel 45a, achtste lid, van de ZW van overeenkomstige toepassing verklaard, op grond waarvan het UWV de boete kan verlagen bij verminderde verwijtbaarheid en van de boete kan afzien als dringende redenen aanwezig zijn. In dit geval heeft het UWV terecht geen aanleiding gezien de boete te verlagen wegens verminderde verwijtbaarheid. Daarbij heeft het UWV terecht betrokken dat de te late ziekteaangifte is veroorzaakt door een omstandigheid die in de invloedsfeer van eiseres ligt en waarop zij ten onrechte niet heeft geanticipeerd of gereageerd. Het is de verantwoordelijkheid van eiseres (ook voor de door haar ingehuurde diensten) om ervoor te zorgen dat de ziekteaangifte tijdig wordt gedaan en dat wordt voldaan aan de bijbehorende verplichtingen. Van verminderde verwijtbaarheid is de rechtbank niet gebleken. Eiseres heeft op de zitting desgevraagd aangegeven dat het haar gaat om de verwijtbaarheid van de te late ziekteaangifte en niet zozeer om de hoogte van de boete. De rechtbank acht een boete van € 455,- in dit geval passend en geboden.
5.4
De door eiseres aangehaalde uitspraken van de CRvB leiden de rechtbank niet tot een ander oordeel, reeds nu niet is gebleken dat de feiten en omstandigheden van haar zaak gelijk dan wel vergelijkbaar zijn met de zaken die hebben geleid tot de genoemde uitspraken van de CRvB.
5.5
Tot slot volgt rechtbank eiseres niet in haar standpunt dat het bezwaar gegrond had moeten worden verklaard en dat haar proceskosten in bezwaar vergoed hadden moeten worden. Nog los van de vraag of de gemachtigde van eiseres is aan te merken als een professionele rechtsbijstandverlener in de zin van artikel 1 sub a van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht, overweegt de rechtbank als volgt. Uit artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Volgens vaste rechtspraak is van herroepen in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb alleen sprake indien het besluit, waartegen het bezwaar is gericht, wordt gewijzigd voor wat betreft het daarbij beoogde of geweigerde rechtsgevolg. Als een motiveringsgebrek wordt hersteld zonder wijziging van het rechtsgevolg is geen sprake van herroeping in de hiervoor bedoelde zin en bestaat er geen grond voor vergoeding van de kosten van bezwaar [1] . In het primaire besluit van 2 mei 2025 heeft het UWV aan eiseres een boete opgelegd van € 455,-. In het bestreden besluit het UWV de boete gehandhaafd, onder de (gewijzigde) motivering dat artikel 38b van de ZW van toepassing is. Met het bestreden besluit is het rechtsgevolg van het besluit van 2 mei 2025 dus niet gewijzigd en is er geen sprake is geweest van herroeping van het bestreden besluit, zodat geen aanleiding bestond de kosten in bezwaar te vergoeden.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van A. van den Ham, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRvB van 23 augustus 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY8044, en 8 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:992.