Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen
[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres
Samenvatting
Procesverloop
onlineaan de zitting deelgenomen.
Rechtbank Overijssel
De zaak betreft een boete van €455,- die het UWV aan eiseres, een werkgever, heeft opgelegd wegens het te laat doen van een ziekteaangifte. Eiseres voerde aan dat de ziekteaangifte niet verwijtbaar was omdat zij handelde op advies van de door haar ingeschakelde arbodienst, die aanvankelijk oordeelde dat geen melding nodig was. Pas op 4 april 2025 werd de ziekteaangifte gedaan nadat de arbodienst haar standpunt wijzigde.
De rechtbank oordeelt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat de ziekteaangifte te laat was gedaan, omdat het voor eiseres op 30 oktober 2024 redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat de werkneemster aanspraak kon maken op ziekengeld. De verantwoordelijkheid voor tijdige ziekteaangifte ligt bij de werkgever, ook voor de werkzaamheden van ingeschakelde deskundigen zoals de bedrijfsarts.
De rechtbank wijst het beroep af omdat eiseres onvoldoende concrete en verifieerbare gegevens heeft aangevoerd om haar stelling van overmacht te onderbouwen. Ook acht de rechtbank de boete passend en evenredig, en ziet geen reden tot verlaging wegens verminderde verwijtbaarheid. Daarnaast wordt het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen omdat het bezwaar niet tot herroeping van het besluit heeft geleid.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de boete van €455,- wegens te late ziekteaangifte en verklaart het beroep ongegrond.