Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
1.[gedaagde 1] B.V.,
2.
[gedaagde 2],
1.De procedure
- de dagvaarding van 28 oktober 2025 met producties 1 t/m 14;
- de conclusie van antwoord van 24 december 2025 met producties 1 t/m 8;
- productie 9 van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 24 april 2026;
- productie 14a t/m 21 van Oveon van 28 april 2026;
- de akte houdende wijziging eis en overlegging producties van Oveon van
- de mondelinge behandeling van 6 mei 2026, waarbij de advocaten spreekaantekeningen hebben voorgedragen en de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat verder is besproken;
- de akte van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van 19 mei 2026.
2.De feiten
, [bedrijf 4] en [naam 4] elkaar volledige en finale kwijting en verklaren zij dat zij geen vorderingen meer op elkaar hebben op welke grond en onder welke titel dan ook.”
op Schol in verband met het onrechtmatig door [bedrijf 1] BV (handelend als bestuurder van de Vennootschap) betaalde bedrag groot EUR 37.950,-.”
voor kennisneming en acceptatie verplichtingen op grond van artikel 5’. Artikel 5 gaat Pro over de ontbinding van enkele overeenkomsten en over de beëindiging van de feitelijke samenwerking tussen Oveon en Sentium.
- Het interim-dividend is, in strijd met de statuten, zonder geldig aandeelhouders- en goedkeuringsbesluit uitgekeerd. Sentium heeft het interim-dividend dus onverschuldigd aan Oveon betaald en Oveon moet, na aftrek van het bedrag dat zij reeds had terugbetaald, nog € 37.950,00 terugbetalen.
- Sentium heeft Oveon geen finale kwijting verleend in de vaststellingsovereenkomst. Sentium was namelijk geen partij bij deze vaststellingsovereenkomst, behalve voor wat betreft de verplichtingen uit artikel 5 van Pro die overeenkomst. De kwijting is geregeld in artikel 6 van Pro de vaststellingsovereenkomst. Alleen Schol (de oude naam van Oveon), [naam 4] en [bedrijf 4] hebben elkaar in dat artikel finale kwijting verleend en verklaren daarin geen vorderingen meer op elkaar te hebben.
3.Het geschil
4.De beoordeling
algemeen (civiel) juridischadviseur of van een
fiscaaladviseur als ‘maatman’.
fiscaaladviseur. Anders dan Oveon betoogt, doet de omstandigheid dat [gedaagde 2] tijdens de uitvoering van deze opdracht uiteindelijk ook betrokken is geraakt bij een civielrechtelijke kwestie
- [gedaagde 2] heeft tijdens de aandeelhoudersvergadering van Oveon van 3 januari 2023 niet gewaarschuwd dat aan de dividenduitkering vanuit Sentium geen (geldig) aandeelhouders- en goedkeuringsbesluit ten grondslag lag en dat Sentium het uitgekeerde bedrag daarom kon terugvorderen.
- Bij het meelezen van de concept-vaststellingsovereenkomst tussen de aandeelhouders van Sentium (Oveon, [naam 4] en [bedrijf 4]) heeft [gedaagde 2] niet adequaat en zorgvuldig geadviseerd over artikel 6. Oveon betoogt primair dat [gedaagde 2] had moeten onderkennen dat de vordering van Sentium ook na schrapping van de toegevoegde uitzondering niet onder de aan Oveon verleende kwijting viel en dat hij vervolgens had moeten waarborgen dat er een kwijtingsbepaling tot stand zou komen waar deze vordering wél onder viel. Subsidiair betoogt Oveon dat [gedaagde 2] [naam 1] – als op dat moment enig overgebleven statutair bestuurder – had moeten waarschuwen dat hij de juridische consequenties van de formulering van artikel 6 niet Pro kon overzien en dat [gedaagde 2] [naam 1] had moeten adviseren om hierover juridisch advies in te winnen.
- Toen Sentium eind februari 2023 (na de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst) het uitgekeerde interim-dividend terugvorderde, heeft [gedaagde 2] bij Oveon ten onrechte het beeld doen ontstaan dat deze vordering ‘geen kans van slagen’ had en ‘kansloos’ was.
in de verhouding tussen Oveon en Sentiumheeft geoordeeld dat het voor risico van Oveon komt dat zij geen (algemeen) jurist heeft ingeschakeld, betekent niet dat
in de verhouding tussen Oveon en [gedaagde 2]hetzelfde geldt. In laatstgenoemde verhouding kan het [gedaagde 2] wel degelijk worden verweten dat hij [naam 1] (als bestuurder van Oveon) niet op de grenzen van zijn deskundigheid heeft gewezen. Dat [naam 1] wist dat [gedaagde 2] alleen fiscaal adviseur is, doet niet af aan de professionele verantwoordelijkheid van [gedaagde 2] om hem voor te lichten over waar de grenzen van zijn deskundigheid precies liggen.